Geloof in de opstanding

 

Thomas Didymus 

In alle evangeliën komt de naam ‘van’ voor, maar slechts in de rij van de 12 apostelen en zonder enige verdere bijvoeging. Alleen Johannes die met zijn gedachten de Meester zo nauwkeurig volgde bij diens onderwijs over de hemelse gewesten, voegde aan de naam Thomas nog Didymus toe. Zelf hadden Johannes en zijn broer ook een kenmerkende naam gekregen, namelijk Boarnérges of zonen van de donder, waarmee ze in de geestelijke wereld getypeerd waren. Zo ontving Simon Barjona de bijnaam Petrus, dat is rots, want zijn geestelijk inzicht was zo groot, dat op zijn visie de gemeente van Jezus Christus gebouwd zou worden.

Heeft Thomas de bijnaam Didymus, die tweeling of dubbel betekent, van huis uit meegekregen, dan wijst dit er natuurlijk op dat hij er een van een tweeling was. Is het echter zo dat de Heer hem zo noemde, dan zou Didymus erop wijzen, dat hij in de geestelijke wereld niet één was, maar verdeeld. Voor Thomas gold dan ‘nomen et omen’, wat betekent dat hij zijn naam met recht droeg. Zijn innerlijke tweeslachtigheid en onzekerheid beletten deze leerling om Jezus in de onzienlijke wereld te volgen en iets te aanvaarden wat hij in de natuurlijke wereld niet kon waarnemen.

‘Wij weten niet waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?’

Na het sterven van Lazarus sprak de Meester tot zijn leerlingen dat Hij zijn vriend ging opwekken. De bedoeling van zijn treuzelen in het Over-Jordaanse was, dat de leerlingen hierdoor tot het geloof in zijn hemelse heerschappij zouden komen. De pessimistische reactie van de twijfelaar Thomas was echter: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’. Deze leerling openbaarde hiermee wel zijn liefde tot de Meester, maar in de terugkeer naar Judéa, waar Jezus pas aan de grijpende handen van de Joden ontkomen was, zag hij niet anders dan een dreigend gevaar. Wat ‘de hoge weg’ betrof was zijn uitspraak na drie jaar onderricht: ‘Wij weten niet waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?’

Het dieptepunt in het leven van Thomas kwam, toen Jezus was gestorven en begraven en uit de zienlijke wereld was verdwenen. Hoewel de Heer er toch vaak over gesproken had, kon deze leerling aan een herrijzenis niet geloven. Zelfs toen de andere apostelen tot geloof gekomen waren door het getuigenis van een vrouw en omdat zij het lege graf hadden gezien met de achtergebleven windsels, bleef hij twijfelen. Zijn ongeloof drukte hij uit in de plastische woorden:

‘Als ik in zijn handen niet zie het teken van de spijkers en mijn vinger niet steek in zijn zij, zal ik niet geloven’.

Daarmee getuigde hij dat voor hem alles was afgelopen. Later schreef Paulus: ‘Als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijn jullie nog in je zonden’. Voor Thomas gold dan ook de uitspraak:

‘Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’.

Jezus kende echter wel de persoonlijke liefde van deze twijfelaar tot Hem. Net als Petrus kon ook Thomas zeggen: ‘Heer, U weet dat ik U liefheb’, dat ik dus uw evangelie van het Koninkrijk der hemelen van harte heb aangenomen, maar mijn geest is te zwak om U in deze hemelse realiteiten te volgen. Zoals echter later na de Pinksterdag de Heilige Geest ‘onze zwakheid te hulp komt’, zo kwam Jezus bij zijn verschijnen Thomas in zijn desolate toestand tegemoet. Deze bleef immers contact houden met zijn medeleerlingen, bleef hen trouw en raakte niet los van de vriendenkring. Als de Heer zijn verheerlijkt, geestelijk lichaam opnieuw in de leerlingenkring manifesteert, is Thomas ook aanwezig. Alle twijfel wordt dan weggenomen bij de woorden van Jezus: ‘Breng uw vinger hier en kijk naar mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zij, en wees niet ongelovig, maar gélovig’. 

Na deze ervaring zou Thomas in het vervolg niet langer vertrouwen op zijn zintuigen, maar op het onfeilbare en betrouwbare woord van zijn Meester. Hij nam de stap naar de onzienlijke wereld door Jezus te erkennen als zijn Heer en zijn God. Hem wilde hij voortaan onvoorwaardelijk geloven, gehoorzamen en vereren en door diens Geest geleid volgen in de geestelijke wereld. Hier begon de vernieuwing van zijn denken en werd ook hij evenals de ‘rotsman’ Petrus ‘opnieuw geboren waardoor wij leven in hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’.

Ook voor ons gelden de woorden die Jezus tot Thomas sprak:

‘Gelukkig zijn zij, die niet gezien hebben en toch geloven’.