Opwekking en opstanding

 

Op de vraag van de catechismus in zondag 17: ‘Wat voor nut heeft  de opstanding van Christus voor ons?’, geeft Efeziërs 2:6 een heerlijk antwoord, namelijk dat God ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven heeft in de hemelse gewesten, in Christus Jezus. Heel duidelijk wordt hier meegedeeld dat, als wij in Christus geloven, dus de schuldbetaling en de verzoening door het bloed van Jezus aanvaard hebben, wij opgewekt zijn tot een nieuw leven, dat allereerst in de hemelse gewesten zijn doel en bestemming heeft. Onze inwendige mens (ziel en geest) zag het levenslicht in het Koninkrijk van God. Geen wonder dat de Schrift van wedergeboorte spreekt. Zoals een baby zich eerst in het duister van de moederschoot bevindt, zo verkeerden wij, bewust of onbewust, eertijds in het duistere domein van de heerser van de demonen van de lucht, de onzienlijke wereld waar satan heerschappij heeft (Ef. 2:2). Nadat wij het ‘verlossende’ woord van God aanvaard hadden, begon dit als een kracht in ons leven te werken, waardoor onze inwendige mens in het Koninkrijk van God werd overgezet. Als een pasgeborene hoorden wij bij het huisgezin van God. Het hemelse Jeruzalem was een burger rijker geworden. De oude contacten, waarmee wij vroeger leefden, werden doorgesneden of verbroken, en een nieuw leven in de geestelijke wereld ving aan met nieuwe contacten en met nieuwe mogelijkheden. Het woord van God begon ons gedachteleven te vernieuwen, zoals er staat:

‘Bedenkt de dingen die boven zijn’.

Vóór zijn afscheid sprak Jezus tot zijn leerlingen: ‘Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb (door mijn lijden en sterven),  kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben.’ (Joh. 14:2,3). Hij zei ook: ‘Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’   (Joh. 12:32). Onze Heer komt niet naar de aarde, maar wij zullen met onze inwendige mens tot Hem moeten opstijgen. Wij zullen ons hart, beeld van de innerlijke mens, moeten ‘verheffen’ en dan kan Hij woning in ons maken.

 Wedergeboren

Er staat in 1 Petrus 1:23 dat wij wedergeboren worden door het levende en blijvende woord van God. Opgewekt worden en wedergeboren worden zijn dus synonieme uitdrukkingen. Zij duiden beide op een overgang: van slapen naar waken en van duisternis naar licht. Jezus sprak niet van een wedergeboorte dóór de Geest, zoals velen menen, maar úit de geest, dus in de geestelijke wereld. Als tegenstelling kan toch ook niet gesproken worden van een geboorte dóór het vlees, maar wel úit het vlees (zie Joh. 3:1-9). Sommige vertalingen luiden ‘van boven geboren’ in plaats van ‘wederom geboren’. Dit betekent dan dat een mens in het Koninkrijk van God zijn plaats gaat innemen. Noch bij opwekken, noch bij geboren worden, is sprake van iets nieuws dat ontstaan zou, maar deze begrippen veronderstellen een overgang van de ene toestand in de andere. Wij worden dus wedergeboren of opgewekt tot een nieuw leven in de geestelijke wereld. Daar moeten wij echter zelf gaan opstaan om daar te functioneren en te werken. Veel christenen zijn wel door hun wedergeboorte in het Koninkrijk van God, maar zij komen daar niet tot activiteit. Zij zijn wel opgewekt, maar blijven evenals langslapers, toch liggen. Zij zijn wel geboren, maar er zit geen groei in hen. Zij blijven zuigelingen. Er is kracht nodig om op te staan en deze schenkt de Heer door de doop in de Heilige Geest.

Als zuigeling is men wel inwoner van de stad, maar men kan niet als priester in de tempel werkzaam zijn. De doop in de Heilige Geest is de kracht, waardoor men groeit, zich ontwikkelt, toegerust wordt en tevens ook de zalving tot het priesterschap ontvangt. Er staat:

‘Als u dan met Christus opgewekt bent, zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is’ (Col. 3:1).

Het allereerste dat een wedergeboren kind van God in de hemelse gewesten zoekt, is de doop in de Heilige Geest. Hij mag hierom bidden en zal hem van de Vader die in de hemel is, zeker ontvangen (Luc. 11:13). De Vader gaf immers zijn Zoon Jezus Christus macht om te dopen met de Heilige Geest. Deze doop maakt de christen bekwaam om bezig te zijn in de hemelse gewesten en om werkelijk op te staan tot een nieuw leven. Ook Jezus Zelf begon zijn geestelijk werk nadat Hij gedoopt was in de Heilige Geest. Daarom sprak Hij:

‘Niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Mensenzoon’ (Joh. 3:13).

De voltooide tijd ‘is opgevaren’ wijst erop, dat deze uitdrukking niet op zijn hemelvaart kan zien. Op zijn beurt gebood Jezus zijn leerlingen om Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader. Pas op de Pinksterdag ‘stonden zij op’ om te gaan getuigen en te gaan werken voor hun Heer. Toen namen zij dus bewust hun plaats in de hemelse gewesten in en begonnen daar aan hun taak. Zij gingen daar leven: profeteren en gezichten zien, dus daar horen en zien. Zij gingen daar wandelen op de hoge weg. Zij gingen daar strijden, dus weerstand bieden aan de duivel en de boze geesten uitdrijven. Zij overwonnen daar zoals Jezus overwonnen had. De zin en het doel van hun leven lagen voortaan in het Koninkrijk van God. Hun gedachtewereld werd vernieuwd en hierdoor werden ook hun woorden en hun daden ‘geheel anders’.

Ook wij zijn geroepen om op te staan tot een nieuw leven. Ook wij moeten de dingen bedenken die boven zijn. Daarom moeten wij onze omstandigheden, onze noodsituatie, onze strijd, onze omgang met mensen, ons werk, onze plaats die wij in de maatschappij en die wij in de gemeente innemen, vanuit de onzienlijke wereld bezien. Het goede en het kwade, de rust en de onrust, de vrede en de onvrede, gezondheid en ziekte, vrijheid en gebondenheid, gerechtigheid en ongerechtigheid, waarheid en leugen, vinden hun oorsprong niet op aarde, maar zij hebben hun wortel en hun begin in de hemelse gewesten, in de onzienlijke wereld. Daar moeten wij dus onze activiteiten ontplooien. Ons leven wordt niet in de eerste plaats bepaald door vrienden of vijanden die op aarde zijn, maar door onze contacten in de geesten-wereld, door die met God, met Jezus Christus, met de Heilige Geest, maar ook die met satan en met zijn duistere demonen. Het evangelie van Jezus Christus, dat van het Koninkrijk der hemelen, veroorzaakt een revolutie in ons gedachteleven. Als kinderen van God, die willen opgroeien tot volwassen zonen en willen arbeiden in het Koninkrijk Gods, laten wij ons denken leiden door het woord van God en door de Heilige Geest. Deze verandering van inzichten, dit verjongd of vernieuwd worden door de geest van ons denken, is het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe, die naar de wil van God geschapen (of wedergeboren) is, in waarachtige gerechtigheid en heiligheid (Ef. 4:22-24). Deze nieuwe methode van denken en van leven is niet gemakkelijk. Zij vereist oefening en volhardend gebed, dit wil zeggen een voortdurend bezig zijn in de hemelse gewesten.

De apostel Thomas was al geruime tijd met de Heer omgegaan en had veel woorden uit Zijn mond gehoord. Toch merkte hij bij het afscheid van Jezus op: ‘Wij weten niet, waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?’ (Joh. 14:5) Deze leerling begreep niet, omdat hij nog niet geestelijk denken kon. Zijn apperceptiemateriaal was alleen op aarde. Zo is het met vele christenen. Zij aanvaarden het bestaan van de heilige engelen en ook dat van de duivelen. Zij geloven dat de Heilige Geest in hen woont, maar zij gebruiken deze kennis niet. Zij weten niet ermee te handelen. Vooral als moeilijkheden, zorgen, angsten en verdrukkingen komen, verliezen zij wat zij hebben en zoeken de oplossing van hun problemen in de zienlijke wereld. Zij geloven in theorie wel in een almachtige God en in de kracht van de Heilige Geest, maar weten niet hoe en tegen wie zij in de hemelse gewesten strijden moeten ten einde de overwinning te behalen. Zij zijn geestelijk doof en blind en hun denken is niet op de geestelijke wereld geconcentreerd. Laten wij het antwoord van Jezus aan Thomas ter harte nemen. Hij sprak:

‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven’.

Jezus baande ons de hoge weg die door de hemelse gewesten voert en bewandelde deze Zelf als eerste van vele broeders. Op dit pad alleen krijgen wij deel aan de waarheid, want hier zien wij het onderscheid tussen goed en kwaad. Hier ontmaskeren wij in contact met de Geest van de Waarheid de leugengeesten. Op deze gebaande weg wandelen in gemeenschap met de levende God alleen de vrijgekochten van de Heer. Jezus Zelf was in voortdurende verbinding met de Vader. Hij sprak wat Hij van Hem hoorde en deed wat Hij zijn Vader zag doen. Hij was onafgebroken bezig zijn werk in de hemelse gewesten te verrichten. Hij ging het land door, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren (Hand. 10:38). Hij sprak: ‘Let op, ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees ik mensen,’ (Luc. 13:32). Hij scheidde het goede van het kwade, de waarheid van de leugen en bracht door zijn leven in de hemelse gewesten het oordeel of de scheiding uit tot overwinning (Matth. 12:20). Wij willen navolgers van Jezus zijn. Wij willen opstaan, leven en werken in de hemelse gewesten. Wij willen het oog op Hem gericht houden en in eigen leven en in dat van anderen ook de scheiding tot stand brengen, en de satan met zijn demonen onder onze voeten verpletteren.