De opstanding van Jezus

 

Jezus’ opstanding: onze zekerheid en hoop

 ‘De Eerstgeborene uit de doden’

De opstanding van Jezus Christus uit de doden is iets, wat niet bij de eerste schepping thuishoort of bij het natuurlijke leven past. Zij is een gebeurtenis die essentieel deel is van de nieuwe schepping. Op de Paasmorgen komt onze Heer uit de grafspelonk tevoorschijn en daarmee wordt een nieuw tijdperk ingeluid, want Hij is ‘de Eerstgeborene uit de doden’. Zijn opstanding houdt de belofte in van een toekomst, waarin er geen dood meer zal zijn en geen mensen meer in de aarde begraven worden. Ook de dood is een overwonnen vijand en hij heeft geen claim meer op een ieder, die met Christus is opgestaan tot een nieuw leven.

Bij het begin van de Romeinenbrief schrijft Paulus, dat Jezus wat het natuurlijke leven betrof, tot het geslacht van David gerekend moest worden, maar naar zijn heilige, inwendige of geestelijke mens werd Hij geopenbaard als de Zoon van God, toen Hij door een machtsdaad van de Vader uit de doden opgewekt werd. Tijdens zijn lijden en sterven aan het kruis, had onze Heer de schuld (de straf van het hele universum) gedragen. Hij was ‘tot zonde gemaakt’, maar uit zijn opstanding bleek dat het Lam van God een voldoende offer had gebracht om de schuld (die de wereld had aan satan), weg te nemen. Omdat Jezus met zijn leven volledig voor de zonde had betaald, was Hijzelf ook van de zondelast bevrijd en daarom was Hij weer heilig. Nu bleek dat Hij de Zoon van God was, want zijn inwendige mens was afgescheiden van het kwaad en volkomen gaaf. De dood had geen recht meer op Hem, want die is het loon op de zonde. De dood vond in Hem niets meer waarop hij recht kon laten gelden en het ‘was niet mogelijk, dat Jezus door de dood werd vastgehouden’ (Hand. 2:24). Op de vraag: ‘Wat nut ons de opstanding van Christus?’ (zondag 17, vraag 45), is het antwoord: ‘Ook wij worden nu zonen van God genoemd. Ook wij hebben geen enkele zondeschuld en zijn evenals Hij rechtvaardig’. Dit is het mysterie van de opstanding van Jezus Christus. Het is het geheim van een overwinnend leven, want Hij leeft en wij met Hem.

‘Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook (nu), delen in zijn opstanding.’   (Rom. 6:5).

In zijn eerste zendbrief begint Petrus deze waarheid te ontvouwen met de woorden:

‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus: in zijn grote barmhartigheid heeft hij ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop. Er wacht u, die door Gods kracht wordt beschermd omdat u gelooft, in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. U ziet de redding tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker geopenbaard zal worden.’ (1 Petr. 1:3-5).

De opstanding van onze Heer heeft ons wedergeboren tot een nieuw leven. Ons denken is hierdoor totaal veranderd. Wij weten ons bevrijd van iedere zondeschuld en leven door het geloof als rechtvaardigen. De dood heeft geen enkele claim meer op ons. Hij mag ons niet meer ‘uitkeren’ met ellende, ziekte of dood. Hij mag ons niet meer neerdrukken of onder pressie zetten. Wij zijn gerechtvaardigd door dit geloof aan Jezus’ opstanding. Wij zijn zonen van God en ‘wij weten dat wij uit God zijn’ (1 Joh. 5:19). In het door de duivel bezette gebied van een wereld die in het boze ligt, zijn er verzetsstrijders die het contact met de bezetter hebben verbroken en die weigeren zijn woorden: ‘Je bent slecht, je bent een zondaar en je blijft dit tot de dood’ op de lippen te nemen. De regel in het Koninkrijk van God is, dat niemand in de zichtbare wereld een rechtvaardige blijkt te zijn, als hij niet eerst gelooft en belijdt dat hij in de onzienlijke wereld een rechtvaardige is. Op dit Paasfeest willen wij blij zijn en vreugde bedrijven, omdat wij een nieuwe schepping van God zijn, een nieuw ras van koningen en priesters, een volk, eigendom van God.

Er is bij Petrus echter niet alleen sprake van een wedergeboorte die een verandering van denken veroorzaakt, maar ook van ‘een leven van hoop’. Het woordje leven wijst erop dat wij tot God teruggebracht zijn en naar lichaam, ziel en geest naar zijn wil goed mogen functioneren. Wij kunnen weer leven in gemeenschap met de Heer en er is niets heerlijker dan dat, want ‘het leven is het licht van de mensen’. Wij hebben niet het geloof dat er van ons niets terecht komt, maar wij hebben de verwachting deel te krijgen aan de totaliteit van de rijkdom van genade: de aanneming tot kinderen, de doop met de Heilige Geest, het heil (bevrijding, verlossing en genezing) en de heerlijkheid. Door het geloof in de kracht van God, dat is de Heilige Geest die Jezus uit de doden opgewekt heeft, wordt de hele erfenis toegeëigend en tot een realiteit. Deze erfenis ligt als belofte in de onzienlijke wereld voor ons gereed. Wij zijn immers erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus. Wat Hij heeft ontvangen, is ook ons toegedacht: zijn goddelijke natuur, zijn kracht, zijn liefde, zijn wijsheid, zijn heerlijkheid. De kracht die Jezus uit de doden opgewekt heeft, woont in ons die met zijn Geest gedoopt zijn. Het verheugende voor ons is het feit dat deze zaligheid gereed ligt om in de laatste tijden geopenbaard te worden. Wij zien en beleven die dingen, waarvan onze voorgeslachten zelfs niet durfden dromen!

Door de opstanding van Jezus is ook de overweldiging van de dood, de laatste vijand, weggenomen. De dood voert geen heerschappij meer over ons, want wij zijn met Christus uit de doden opgestaan. Wij leven in de hemelse gewesten, waar onze wandel is, en bij ons sterven blijven wij wat de inwendige mens betreft, waar wij zijn, namelijk in Christus. Voor ons is er geen dood en geen dodenrijk. Jezus beloofde:

‘Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.’ (Joh. 8:52,53).

Wanneer wij de ogen sluiten, is er geen doodsmacht die ons opwacht en meesleurt. Wij ontslapen in de Heer, dat wil zeggen: functioneren als een slapende alleen in de onzienlijke wereld. Deze blijde Paasprediking laten wij ons niet ontroven door de leugengeest, die de wedergeboren mensen voorhoudt, dat zij de dood zullen sterven.

Er is echter nog een andere hoop. Van Jezus staat dat de weeën van de dood door Hem verbroken werden (Hand. 2:24). Wanneer een vrouw weeën krijgt, is het ogenblik aangebroken dat zij van haar kind gescheiden wordt. Bij het sterven wordt ons lichaam van de inwendige mens gescheiden en dit is een pijnlijke zaak. Bij de opstanding wordt de scheiding opgeheven en ziel en geest weer verbonden met een (verheerlijkt) lichaam. Dit is met Jezus gebeurd, maar zal ook plaatsvinden met hen die in Christus ontslapen zijn. Dan zullen zij met Hem heersen over al de werken van Gods handen. Het evangelie van Jezus Christus is een blijde boodschap van opstanding, hoop en heerlijkheid.