Niet ongevaarlijk
Het opleggen van handen komt in de pinksterwereld veelvuldig voor. Het is een goede handeling, want de Heer heeft het opgedragen, omdat er een zegen wordt doorgegeven. Toch waarschuwt de apostel Paulus in 1 Timotheüs 5:22 zijn geliefde medewerker, bij het opleggen van handen de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. De apostel schrijft:
‘Leg iemand niet te snel de handen op, maak jezelf niet medeverantwoordelijk voor zijn zonden, zorg ervoor dat je rein blijft.’
Het opleggen van handen is dus niet ongevaarlijk. Je maakt je immers in de onzienlijke wereld één met de persoon die je claimt, maar ook met zijn begeleidende geesten. En in welke conditie verkeer je zelf, indien je iemand langs deze weg wilt bijstaan? Zo kan een voorganger zich niet permitteren om te zondigen, want ieder ogenblik kan hij in de situatie geplaatst worden, dat een zieke of aangevallen broeder of zuster vraagt hem bij te staan en met hem of haar te bidden onder oplegging van handen. Omdat oplegging van handen de uitdrukking is van een zuiver geestelijke zaak, kan de tot hulp ingeroepen broeder ook niet met zondige gedachten rondlopen. Wanneer hij niet innerlijk zuiver voor God staat, kan zijn handoplegging nare gevolgen hebben. De apostel vermaant daarom: houd jezelf rein, niet alleen ten opzichte van uitbrekende zonden, maar zuiver je hart ook van: haat, jaloersheid, hoogmoed, twist, onreinheid, of hebzucht en stel je geestelijk op.
Onreinheid
Natuurlijk gaan zieken en gebondenen niet naar een broeder toe, indien ze denken dat deze in zonde leeft. Degenen die hulp vragen, zijn zwakken, en wee de voorgaande broeder die zo’n ‘kleine’ door middel van het opleggen van handen tot zonde brengt. God wil dat mannen op iedere plaats en ook te allen tijde kunnen bidden met opheffing van heilige handen (1 Tim. 2:8). Het is duidelijk dat dit dan ook vereist is, wanneer men de handen op een broeder of zuster legt tot hulp in de geestelijke wereld. Het opleggen van handen is geen hocus pocus, maar een reële zaak in de onzienlijke wereld. Er worden dan verbindingen gelegd tot voor- of tot nadeel. Men kan de broeder of zuster doen delen in de zegeningen van het Koninkrijk van God, maar het is ook mogelijk iemand deelgenoot te maken van de beïnvloeding uit het rijk van de duisternis. Dan zal zo’n persoon last krijgen van zonden, waar hij vroeger geen enkele begeerte toe had.
We hebben met slachtoffers gesproken die beleden, dat zij vanaf het ogenblik dat een broeder hun de handen oplegde, door zondige begeerten werden gekweld. Hoe zou u het ervaren, als bij uw huwelijksinzegening een predikant die zelf overspel pleegt, u beiden de handen oplegde? Deze man zou toch moeten weten dat via hem geen enkele zegen doorgegeven kan worden. Hij deelt echter in de geestelijke wereld wel iets mee van zijn bezit, en het bruidspaar heeft contact met de geest van onreinheid die deze overspeler beheerst. We hebben een zuster gekend die in een genezingsdienst naar voren kwam. Nadat haar daar de handen waren opgelegd, raakte ze volkomen in de war en zou ze in een inrichting moeten worden opgenomen. Toen we haar bezochten, vroegen we of zij wellicht zich door iemand de handen had laten opleggen. Het bleek dat dit gedaan was door een oudste van wie ze later hoorde vertellen dat hij ook in overspel leefde. Toen wij deze macht over haar verbraken, herstelde zij meteen.
Er zijn evangelisten die er een gewoonte van maken om hun volgelingen de handen op te leggen voor een nieuwe toewijding. Het merkwaardige is, dat men ziet dat hun toegewijde leerlingen bepaalde kenmerkende eigenschappen van hun voorganger gaan overnemen. De wijze van optreden, de gelaatsuitdrukkingen, de manier van spreken en bidden doen denken aan de uitdrukking: ‘Zo priester, zo volk’. Een jonge vrouw had een kind dat opvallend druk en lastig was. Ze kon het geen ogenblik alleen laten, uit vrees dat het iets zou vernielen of dat het tekeer zou gaan. Een toespraak in de gemeente attendeerde haar erop dat ook bij haar oplegging van de handen tijdens haar zwangerschap fatale gevolgen had gehad. Haar was in die tijd door een broeder met wie het echtpaar veel in aanraking kwam, vaak de handen opgelegd. Deze persoon was geestelijk zeer labiel en sprak ook menige profetie uit. Toen de beïnvloeding, door de vader van het kind verbroken was, veranderde dit zichtbaar; het speelde rustig en was niet meer gespannen.
Bindingen
Jaren geleden vroeg eens een man die tot het Leger des Heils behoorde, of wij hem de handen wilden opleggen tot bevrijding van verslaafdheid aan het roken. Met enkele broeders baden wij voor hem. Hoewel ik uitdrukkelijk had gesteld dat niemand mede de handen mocht opleggen die zelf niet vrij was van deze binding, deed dit een broeder die stiekem nog rookte. Vanaf dat ogenblik kwam er een scheiding in de geestelijke wereld en raakten wij deze oudste kwijt. Misschien zegt iemand: ‘Ik heb toch voor mijn kind gebeden en het de handen opgelegd in de naam van Jezus, maar het hielp niet’. Onderzoek u eens, of dit gebeurde na een fikse ruzie met uw vrouw, in geïrriteerdheid, of dat uzelf niet vrij was van bepaalde bindingen. Het is zelfs mogelijk dat u langs deze weg uw kind eerder benadeelde dan tot zegen was.
Wanneer men een onbekende de handen oplegt, kan dit een gevaar inhouden voor degene die dit doet. Men mag niet zeggen: ‘O, mij kan niets gebeuren’. U weet niet met welke geesten u in aanraking kunt komen. U kunt óók ergens kwetsbaar zijn. Er zijn gevallen dat men met vreemde, onreine geesten in contact komt en hiervan de schadelijke gevolgen gaat ondervinden. Bedenk dit eens, wanneer men mensen in de bediening krijgt, die gemeenschap hebben gehad met heidense afgoden en in aanraking zijn geweest met oosterse, mystieke en occulte godsdiensten. Wanneer men de onderscheiding van geesten mist, geldt ook het vermaan van de apostel:
‘Leg niemand overijld de handen op, en maak u niet schuldig aan vreemde zonden’ (Canisius-vertaling).
Dan wordt bewaarheid: mijn volk gaat verloren, wordt dus een prooi van de demonen, omdat het geen kennis heeft van de onzienlijke wereld. Wij herinneren ons een grote ‘opwekkingssamenkomst’ waar duizenden samen waren gekomen om naar een beroemd Amerikaans evangelist te luisteren. Aan het einde van de bijeenkomst werd een onafzienbare ‘healing line’ gevormd. Ieder zieke of gebondene die in deze rij stond, ontving een lichte handoplegging van de evangelist. Ten slotte was de toeloop zo groot en het werd al zo laat, dat de mensen elkander maar de handen moesten opleggen! Wat denkt u van de machten die in zo’n massasamenkomst meegekomen waren en toen hun invloed lieten gelden? Jan Rap en zijn maat begonnen elkaar de handen op te leggen. Men kan ervan verzekerd zijn dat zulke diensten meer kwaad dan goed doen. De waarschuwing van de apostel dat men niet ‘haastelijk’ de handen mag opleggen (Statenvert.), werd in de wind geslagen en de waarschuwing dat men zichzelf rein moet houden en gescheiden moet blijven van boze geesten, werd niet opgevolgd.
Vertrouwen
Een zieke of gebondene hoort in eigen gemeente naar voren te gaan. Dan kan een rustig gesprek aan de handoplegging voorafgaan. Men kent de oudsten en weet wie ze zijn. Voor onszelf zouden we bij ziekte niet gaarne door vreemden de handen opgelegd willen worden. We hebben te veel evangelisten in binnen – en buitenland meegemaakt om in deze zaak niet uiterst voorzichtig te zijn. Geef ons de mannen broeders maar, met wie we reeds jaren optrekken en wier betrouwbaarheid we kennen. Men leest wel eens dat bekende figuren in de pinksterbeweging door de paus de handen zijn opgelegd. Wij vragen ons af wat voor zegen hieruit voortspruit. Men wordt immers in de onzienlijke wereld verbonden met de vertegenwoordiger van een gemeenschap, waar leugen en dwaling, bijgeloof en occultisme welig tieren, met een kerk die niet in de waarheid staande is gebleven. En wie weet wat voor binding de paus erbij krijgt van al de duizenden die hij de handen oplegt?
Simon de tovenaar zag Petrus en Johannes de reeds in water gedoopte Samaritanen de handen opleggen tot het ontvangen van de Heilige Geest. Hij bood hun geld aan, opdat ook onder zijn handen mensen gedoopt zouden worden met de Heilige Geest. Petrus weigerde evenwel deze magiër de handen op te leggen en daarom bleef hij rein van diens occulte bindingen. De apostel sprak tot zijn naamgenoot Simon:
‘U zult in het verderf worden gestort, u met uw geld, omdat u denkt te kunnen kopen wat God geschonken heeft. U kunt beslist geen deel hebben aan onze taak, want uw houding tegenover God is niet oprecht. Toon berouw over uw verfoeilijke gedrag en smeek de Heer of hij u uw slechte gedachten wil vergeven (Hand. 8:9-25).
Wellicht had iemand in de huidige pinksterbeweging gezegd: ‘Fijn, dat deze bekende occultist nu ook mee gaat doen. Dat is van de Heer, want iedereen kent hem en hij heeft enorme invloed. Nu ziet hij dat hij verkeerd is geweest. Laten we nu niet liefdeloos zijn en hard, hem niet wegstoten, maar hem zoveel mogelijk tegemoet komen. Hij zoekt immers de gave van Gods Geest!’ Maar de apostel stuurde hem weg met de opmerking, dat hij zich in een ‘samenknoping der ongerechtigheid’ bevond (Staten-vert.). De geschiedenis deelt ons mee, dat deze tovenaar voortaan een felle tegenstander was van het christendom.
Het verplaatsen van demonen
Wat denkt u ervan als een rooms-katholiek priester u de handen oplegt voor de doop met de Heilige Geest, zonder zelf verlost te zijn van zijn occulte bindingen? Misschien heeft hij zich vooraf nog tot Maria gewend of tot een of andere ‘heilige’, dus een spiritistische gemeenschap gehad met de geesten van doden. We lezen van evangelisten die de handen speels op tal van mensen leggen, die dan prompt tegen de grond slaan. Ook hier geldt het apostolisch vermaan:
‘Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein’.
Welke machten spelen mee, wanneer iemand na oplegging van handen neervalt? Wat gebeurt er op zo’n ogenblik in de onzienlijke wereld, zelfs al zou zo’n ter aarde geworpene dit als een zalig gevoel ervaren? Het is immers nooit de bedoeling van de Heer ons te doen vallen, maar altijd om ons op te richten. Het neervallen is een beeld van wat in de geestelijke wereld met zo’n persoon geschiedt. Ook hier doet de satan zich voor als een engel van het licht.
Maar men zal zeggen: ‘Er genezen daar zoveel zieken’. Dit is best mogelijk. Wie heeft deze ziekten veroorzaakt? De boze geesten immers! Natuurlijk kan hun overste deze verplaatsen of weghalen ten einde andere demonen ervoor in de plaats te stellen. Het is dan slechts een hergroepering van zijn troepen. Werkelijke bevrijding zal men in deze diensten niet vinden; men wordt er niet van al zijn vijanden verlost, hoewel men er wellicht genezing vindt. Wij zeggen niet dat een christen zich niet op de grond mag werpen in tijden van benauwdheid, maar dit doet hij dan vanuit eigen geest en niet door de overmacht buiten hem!
Wie in een gemeente met zijn noden naar voren gaat, bevindt zich in een vertrouwde omgeving onder broeders en zusters. Hij weet dat de oudsten een rein hart hebben. Wanneer de zieke of gebondene dit ook heeft, kan Gods Geest ongeremd en onbelemmerd werken. Deze Geest is eindeloos krachtig en dus zullen zelfs de grootvorsten uit het rijk van de duisternis moeten wijken. Daarom raden wij aan om zich nooit toe te vertrouwen aan vreemden, want men weet niet of zo’n ‘godsman’ gebonden is aan geld, aan onreinheid, aan wereldzin, aan leugen, aan hoogmoed of aan valse leringen. Bij de oplegging van hadden hanteren wij de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Het is geen loos gebaar! Daarom zullen wij een heilige levenswandel najagen en ons ver moeten houden van de gemeenschap met boze geesten, niet alleen van de goddeloze demonen, maar ook van de leugenmachten, die in deze tijd tot ons komen onder de vrome dekmantel van enthousiaste, maar gebonden christenen. We werpen het kind niet weg met het badwater. We blijven de handen opleggen in de naam van Jezus Christus, maar doen dit geleid door de Heilige Geest en met de wijsheid en de kennis van de onzienlijke wereld.