Wat is dat?
Het ‘evangelie van het Koninkrijk’, Wat is dat?
Evangelie betekent: Goed Nieuws. Wat zou dat nieuws inhouden? Over welk Koninkrijk zou het spreken? De term is nogal onbekend; zou hij wel bijbels zijn? Als we het Woord van God op het begrip ‘evangelie’ naslaan, zullen we ontdekken dat het op verschillende manieren wordt geschreven. Laten we maar eens een paar van die omschrijvingen onder de loep nemen:
Het evangelie van de heerlijkheid van Christus: (2 Cor. 4:4)
Het evangelie van uw behoudenis: (Ef. 1 :13 )
Het evangelie van de heerlijkheid van de gelukzalige God: (1 Tim. 1:11)
het evangelie van Christus: (1 Thess. 3:2)
Het evangelie van God: (2 Cor. 11:7 ).
Mijn evangelie (Paulus): (Rom. 2:16, 16:25)
Zouden al deze uitdrukkingen wijzen op verschillende evangeliën? Zou het evangelie dat Jezus predikte anders zijn dan wat Paulus bestempelde als: ‘mijn evangelie’? In geen geval! Kijk maar eens wat de apostel zelf zegt:
‘Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij!’ (Galaten 1:8).
Er is slechts één weg. Er bestaat slechts één naam, waardoor wij behouden moeten worden. En we hebben slechts één evangelie. De uitdrukking: ‘Het evangelie van het Koninkrijk’, wil daarom alleen maar een heel duidelijke definitie weergeven van het enige evangelie, dat de Heer ons gebiedt te prediken!
De boodschap van het Nieuwe Testament
Wie deze boodschap van het Koninkrijk wil verbreiden, is in goed gezelschap. Jezus predikte haar, Johannes de Doper, de leerlingen en ook Filippus en Paulus. Ja de boodschap van het Koninkrijk is de boodschap van de hele Nieuwtestamentische gemeente.
Johannes de Doper
In die tijd trad Johannes de Doper op in de woestijn van Judéa. Hij verkondigde:
‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ (Mattheüs’ 3:1,2).
Jezus zelf gaf de volgende definitie van deze boodschap, die gebracht werd door zijn voorloper: Johannes de Doper:
‘De Wet en de Profeten gaan tot Johannes; sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd en iedereen staat te dringen om er binnen te komen.’ (Lucas 16:16).
Jezus
Deze zelfde boodschap was karakteristiek voor de bediening van Jezus, vanaf het ogenblik, dat Hij in het publiek begon op te treden: ‘Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galiléa, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. Dit was wat hij zei:
‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ (Marcus 1:14,15).
Let op de uitdaging van Jezus: ‘Geloof het evangelie’. In welke ‘goede tijding’ moest men geloven? Het antwoord is duidelijk: in het ‘evangelie van God’, in het evangelie van het Koninkrijk - in het goede nieuws, dat het Koninkrijk nabij was, dat het aanwezig was. Dit was de boodschap die Jezus probeerde te verspreiden door het gehele land Israël, gedurende de drie jaar van zijn bediening, zoals Hij tot zijn leerlingen zei:
‘Ook in de andere steden moet ik het goede nieuws over het koninkrijk van God brengen, want daarvoor ben ik gezonden.’ (Lucas 4:43).
Deze zelfde goddelijke opdracht vervulde Jezus nog steeds, nadat Hij was opgestaan, aan zijn leerlingen:
‘Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.’ (Hand. 1:3).
De leerlingen
Een leerling is iemand die in opleiding is. De leerling imiteert het gedrag van zijn meester en verbreidt zijn ideeën. Daarom staat er geschreven over de opdracht van Jezus’ volgelingen:
‘Hij riep de twaalf bij zich en gaf hun macht en gezag over alle demonen, en de kracht om ziekten te genezen. Daarna zond hij hen uit om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen.’ (Luc. 9:1,2).
Filippus
In het boek Handelingen komen we een eenvoudige evangelist tegen, namelijk Filippus. Hij predikte het Woord aan de Samaritanen. Wat zegt Gods Woord over zijn boodschap?
‘Maar toen Filippus hen door zijn verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof had gebracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen.’ (Hand. 8:12).
Filippus predikte het ‘evangelie van het Koninkrijk’.
Paulus
Ditzelfde evangelie van het Koninkrijk vormde de kern van de prediking van Paulus. Vanaf het begin van zijn bediening, waar hij ook heenging, bracht hij altijd dezelfde boodschap. Zo kon hij ook aan het eind van zijn loopbaan zeggen:
‘Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien.’ (Handelingen 20:25).
Men merkt wel eens op, dat het boek Handelingen niet eindigt met ‘amen’, zoals zoveel andere boeken van het Nieuwe Testament. Hiermee zou de Heilige Geest uiting geven aan het feit, dat de daden van de apostelen de eeuwen door voortgang zouden hebben, door middel van het volk van God. Zoals de handelingen van Gods Geest nog steeds actueel zijn, zo ook zijn boodschap. Dit blijkt duidelijk uit de laatste woorden van het boek Handelingen van de apostelen:
‘Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam. Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd.’ (Hand. 28:30, 31).
HET KARAKTER VAN HET KONINKRIJK
Een aardse Koning?
Wat waren de kenmerken van het Koninkrijk dat volgens de boodschap van Jezus ‘nabij’ was? Wie was de koning? Over de tweede vraag bestaat weinig twijfel. De ziener op Patmos zou later deze Koning zien in al zijn glorie:
‘En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning van de koningen en Heer van de heren’ (Op. 19:16).
De koning is Jezus Christus zelf! Maar wat voor soort regering zou er gevestigd worden? En wat zouden de grenzen zijn die zijn rijk zouden markeren? Geografische scheidslijnen? Nationale barrières? Inderdaad heersten er onder de tijdgenoten van Jezus dergelijke ideeën over de Koning en zijn rijk. Voor hen zou de Gezalfde van God alleen komen als Politiek Bevrijder die de verloren heerlijkheid van het huis Davids zou moeten herstellen. Er zou weer een natie moeten ontstaan, die zich uitstrekte over het gehele Midden-Oosten. Jezus zelf bestreed evenwel deze gedachte in een discussie met de schriftgeleerden van zijn dagen: ‘Wat denkt u over de Messias? Van wie is Hij een Zoon?’ ‘Van David,’ antwoordden ze.’ Volgens de opvattingen van de Farizeeën, was daar alles mee gezegd. De Messias zou letterlijk de Zoon van David moeten zijn, en daarom ook op dezelfde letterlijke wijze de voortgang van zijn aardse regering – zijn troon – moeten aanvaarden.
‘Jezus vroeg: ‘Hoe kan David Hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt: ”De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ (Matth. 22:42-45).
Tot twee keer toe gebruikt David hier het woord ‘Heer’, een woord, dat in de Griekse vertaling gebruikt wordt om het begrip ‘Keizer’ te omschrijven. Het zou dus betrekking hebben op God-Koning. De zoon van David zou dus Koning en tegelijkertijd als God zijn! Hij zou koning zijn als David, maar op een niveau dat oneindig veel hoger lag. Hij zou Zich op de troon zetten van de Allerhoogste zelf, aan diens rechterhand. Blijkbaar lag de vervulling van de profetie van David op een heel ander plan, dan de Farizeeën verwachtten.
De Koning op zijn troon
Later – als hij spreekt over de uitstorting van de Heilige Geest – haalt Petrus hetzelfde vers aan om te bevestigen dat de profetie vervuld werd, toen Christus uit de dood verrees en Zich neerzette op de troon van God:
‘Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort. David is weliswaar niet naar de hemel opgestegen, maar toch zegt hij: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” (Hand. 2:32-35).
De troon van de Zoon Davids bevindt zich in de hemel. Jezus heeft hem reeds bestegen. Hij is Heer. Hij is Koning. Alsof deze argumentatie nog niet voldoende zou zijn, om zijn luisteraars ervan te overtuigen, dat Jezus inderdaad zijn Koninkrijk – aangekondigd door de profeten van Israël – aanvaard had, besluit Petrus zijn prediking met de verklaring:
‘Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en Messias is aangesteld.’ (Hand. 2:36).
In een andere dimensie
Toen Jezus door Pilatus ondervraagd werd, ontkende Hij – die toch de Personificatie van de Waarheid was – dat Hij de bedoeling gehad zou hebben, om uitsluitend Koning van de Joden te worden.
‘Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ (Joh. 18:33,36).
Een beslissende uitspraak van de Meester zelf. Jezus is Koning. Maar niet van de Joden. In politieke en geografische zin zal Hij dat nooit zijn. Zijn Koninkrijk is van een andere wereld, van een andere dimensie.
De manifestatie van het koninkrijk
Hoe zou het Koninkrijk dan wèl komen? Als Jezus niet van plan was een nationalistische regering te vestigen door middel van een militaire staatsgreep, hoe zou zijn Koninkrijk zich dan moeten openbaren? Jezus geeft zelf het antwoord:
‘Toen de farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ (Lucas 17:20,21).
Christus de Steen
Het Koninkrijk zou niet komen met politieke macht, maar als iets schijnbaar zo onbelangrijks, dat het voor de meesten praktisch onopgemerkt zou blijven. Toch zou het er zijn! En het resultaat van haar aanwezigheid zou merkbaar zijn in de wereld. Daniël, de profeet die vele dingen openbaarde over de eindtijd, sprak over het Koninkrijk dat zich in de laatste dagen zou manifesteren:
‘U zag hoe een steen losraakte, zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, hoe de steen tegen de ijzeren en lemen voeten van het beeld sloeg en ze verbrijzelde. Op hetzelfde ogenblik verpulverden het ijzer, leem, brons, zilver en goud. Het werd als kaf op een dorsvloer in de zomer; de wind voerde het mee, totdat er geen spoor meer van te vinden was. Maar de steen die tegen het beeld was geslagen, werd een hoge berg die de hele aarde bedekte.’ (Daniël 2:34,35)
Wat is de betekenis van dit profetische visioen? De profeet zelf gaf ook de interpretatie:
‘Maar ten tijde van die koninkrijken (gesymboliseerd door het beeld dat de Heer in het visioen liet zien) zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan.’ (Daniël 2:44).
Over welk volk sprak de profeet? Over zijn eigen natie? Hoor wat Jezus zegt over zijn broeders naar het vlees:
‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.’ (Matth. 21:42).
Verworpen door de Joden! Inderdaad. Maar onmisbaar voor de verwezenlijking van de plannen van de Heer. Jezus voegde er nog aan toe:
‘Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. Wie over die steen struikelt zal gebroken worden, en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’
De steen van Daniël! Christus en zijn regering, die Hij kwam instellen. Dit – zo onbelangrijke – machtsgebied groeit uit tot een steen die de gehele wereld zal vervullen. Beetje bij beetje verbrijzelt het wat zich tegen deze Christus als Koning verzet. Inclusief zijn eigen natie naar het vlees.
Het juk verbroken
Toen Jezus zijn bediening begon uit te oefenen, begonnen de profetieën zich te vervullen. Zo kon de vader van Johannes de Doper profeteren:
‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten: bevrijd zouden we worden van onze vijanden, gered uit de greep van allen die ons haten.’ (Lucas 1:68-71).
Het heil dat Hij bracht voor het huis van David, was van geestelijke aard. De verlossing was uit de macht van de geestelijke onderdrukkers; van de boze geesten die de wereld overheersen en die de mensen proberen te vangen in zonde, ziekte en gebondenheid. Jezus kwam echter om volkomen verlossing te brengen:
‘God zalfde Jezus uit Nazareth met heilige Geest en kracht; Hij trok weldoende rond en genas allen die in de macht waren van de duivel, want God was met Hem.’ (Hand. 10:38).
Johannes de Doper, die zélf de komst van dit Koninkrijk aangekondigd had, begreep er niets meer van, toen het niet kwam op de wijze waarop hij het verwachtte. Terwijl hij als ter-dood-veroordeelde in de gevangenis van koning Herodes zat, begon deze dienstknecht van God te twijfelen. Was het Koninkrijk dat hij aangekondigd had werkelijk nabij gekomen? Zou Jezus inderdaad de Koning zijn over wie hij gesproken had? In zijn wanhoop stuurde hij afgezanten naar Jezus om Hem daarover te ondervragen:
‘Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd. Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt.’ (Matth. 11:4-6).
De werken van Jezus: zijn wonderlijke genezingen en de bevrijding van gebondenen bewezen duidelijk dat Hij Koning was, en dat zijn Koninkrijk was gekomen. Niet op een natuurlijk plan, maar op geestelijk niveau. Jezus sprak:
‘Maar als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Mattheüs 12:28).
Het Koninkrijk van God was in een voortdurende strijd gewikkeld met het rijk van de satan. De komst van het Koninkrijk had geestelijke betekenis. Het zou zich openbaren in de levens van hen, die het binnengingen, zodat zij voortaan als geestelijke mensen op deze aarde hun invloed zouden doen gelden.
‘Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon.’ (Col. 1:13).
Het Koninkrijk van God is al gekomen. Er vond een hemelse invasie plaats in de wereld, die onder de overheersing van de duisternis lag. De dienstknechten van de Koning zetten zich nu in om dit Koninkrijk te vestigen onder de volken, strijdend tegen de engelen van de satan, van wie de nederlaag al gegarandeerd is:
‘Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse gewesten.’ (Ef. 6:12).
Deze strijd gaat gepaard met lijden en vervolging, veroorzaakt door degene die de aanwezigheid van dit goddelijke Koninkrijk in de wereld tracht tegen te gaan:
‘Wij roemen dan ook over u in de gemeenten van God, omdat uw geloof standhoudt onder al de vervolging en onderdrukking die u moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u geschikt zal bevinden voor het koninkrijk van God, waarvoor u nu lijdt.’ (2 Thess. 1:4,5).
De komst van Jezus
Het volk Gods is in een felle strijd gewikkeld, maar de overwinning is zeker. Jezus komt. Niet om een verslagen gemeente van het wereldtoneel weg te rukken, maar om de volkomen overwinning te proclameren van het Koninkrijk waarvoor zij strijdt:
‘Want het is rechtvaardig dat God hen die u onderdrukken, met onderdrukking vergeldt, en dat Hij u die onderdrukt wordt, samen met ons rust geeft, wanneer de Heer Jezus zal verschijnen en met zijn machtige engelen uit de hemel zal neerdalen.’ (2 Thess. 1:6,7).
Wat een heerlijke dag zal dat zijn! De gemeente die lijdt en strijdt verwacht de manifestatie van haar Koning. Op die dag zullen de zonen van God verlost zijn van hun verdrukkingen en geopenbaard worden als koningen:
‘wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn’ (2 Thess. 1:10).
Het aanvaarden van het Koningschap
Wat een heerlijke toekomst wacht ons. Nu reeds maken wij deel uit van zijn Koninkrijk. Weliswaar staan we nog midden in de strijd. Op deze wijze echter maakt God ons klaar voor het ogenblik dat we met Hem op de troon zullen zitten:
‘Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?….. Weet u niet dat wij over engelen zullen oordelen?’ (1 Cor. 6:2,3).
Dat is het uitzicht dat ons wacht: regeren met Christus; delen in de verdrukkingen van het Koninkrijk, om daarna binnen te gaan in de heerlijkheid van de manifestatie van het Koninkrijk bij de komst van onze Koning!
‘Als wij met hem gestorven zijn, zullen we ook met hem leven; als wij volharden, zullen we ook met hem heersen.’ (2 Tim. 2:12).