De doop met vuur 1
De strijd met het rijk van de duisternis
Lucas 12:49-56
Wanneer het evangelie van het Koninkrijk der hemelen verkondigd wordt, komt er altijd een rechtstreekse strijd met het rijk van de duisternis. Bij de terugkeer van de twee en zeventig uitgezonden leerlingen zegt de Heer daarom:
‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’.
In ons Schriftgedeelte spreekt de Heer over de tekens van de tijd. Hij wijst erop dat velen in de natuurlijke wereld aardig prognoses kunnen maken, maar dat zij niet in staat zijn de geestelijke achtergrond van hun tijd te onderkennen: Met de verkondiging en de toepassing van het evangelie van Jezus was immers de strijd ontbrand in de hemelse gewesten. Daar zagen de godsdienstige leiders niets van. De geestelijke wereld was voor de orthodoxie een afgesloten terrein. Jezus was echter met zijn geest en begeleid door de Heilige Geest, in de onzienlijke wereld doorgedrongen. Evenals de richter Simson zocht Hij de vijand op eigen terrein op. Hij was namelijk steeds te vinden bij gebondenen, bezetenen, zieken en zondaren en Hij bevrijdde en genas hen door ze te scheiden van de boze geesten die hen overweldigd hadden. Door zijn optreden trok Jezus de aandacht van de verontruste vijand. Daarom getuigde Hij:
‘Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het reeds ontstoken is?’
of in een andere vertaling:
‘Wat begeer Ik anders dan dat het reeds ontstoken is?’
Jezus schuwde deze strijd niet, maar zocht hem eerder. Met het ‘vuur’ bedoelde de Heer de troepenconcentraties van de duivel, die Hem moesten beletten zijn werk van herstel te doen. De machten voelden zich immers bedreigd en de ‘overste van de wereld’ verplaatste daarom op strategische wijze zijn legers naar het meest bedreigde doel.
Uiterst waakzaam zijn
Wie een rechtstreekse oorlog met de vijand aangaat, moet rekenen op fel verzet. In dit verband sprak de Heer:
‘Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is’.
De Meester ervaarde de druk die in de geestelijke wereld op Hem uitgeoefend werd. De Statenvertaling gebruikt de woorden: ‘Hoe word Ik geprest?’ Jezus bevond Zich gedurende zijn hele optreden onder de zware pressie van de boze geesten en dit duurde totdat Hij zijn taak voleindigd had en de overwining behaald was. Voortdurend probeerde de duivel Hem te laten zondigen, iets verkeerds in Hem te vinden om dit tot openbaring te brengen. Altijd was deze dreiging er, maar Hij getuigde rustig:
‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’.
Hij lette er nauwgezet op, om niet van zijn hemelse Vader gescheiden te worden. Onafgebroken concentreerde Hij Zich daarom op diens gemeenschap. Later schreef Paulus over de strijd van Jezus:
‘Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood (de scheiding van God) kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst’ (Hebr. 5:7).
Eerst werd Jezus in water gedoopt ‘om alle gerechtigheid te vervullen’. Daarna ging Hij de gehele weg die ook wij horen te gaan. Het verschil met ons is echter, dat Hijzelf geen schuld had, geen oude mens hoefde af te leggen en niet beschadigd was. Hij was volkomen gaaf en bij Hem hoefde geen onreine geest uitgeworpen te worden; het was niet nodig dat Hij bevrijd werd of van een letsel herstellen moest. Na zijn doop in water werd Hij in de Heilige Geest gedoopt. Hij was ‘vol van de Heilige Geest’ en in Hem was geen enkele duisternis. Daarna kwam de doop in vuur, dit wil zeggen dat de Vader Hem nu bekwaam achtte de proef te doorstaan. Door de Heilige Geest werd Hij in de woestijn geleid om verzocht te worden van de duivel.
Veertig dagen lang kwamen vanuit de onzienlijke wereld de demonen op Hem aanstormen. Hij was toen bij het ‘wilde gedierte dat niets ontziet’. Hij werd op gelijke wijze verzocht als wij. Daarom kunnen wij in onze beproevingen het oog op Hem richten en begrip en hulp verwachten. Jezus klemde Zich vast aan het reeds geopenbaarde woord van God en Hij geloofde ook dat de Vader in al zijn noden zou voorzien. Daarom weigerde Hij ook van stenen brood te maken. Zo onderging Jezus na de doop in de Heilige Geest de doop in vuur. Niet alleen kwam de duivel rechtstreeks op Hem af, maar ook door middel van mensen, die trachtten Hem te doen struikelen of vallen. Denk maar eens aan Petrus, die door de duivel gebruikt werd om Hem te verzoeken, maar Jezus weerde deze aanval af met de woorden: ‘Ga achter Mij, satan’. De Heer had geen gemakkelijk leven vanwege de boodschap van het Koninkrijk der hemelen, die Hij niet alleen verkondigde maar ook realiseerde. Iedereen die dit evangelie aanvaardt en beleeft, valt hetzelfde lijden ten deel! De vuurdoop van Jezus eindigde ten slotte in de doop in de dood, waarbij Hij de doodsmachten op hun eigen terrein moest overwinnen.
Ook vandaag niet ‘herkend’
Eeuwenlang is de prediking van het Koninkrijk niet meer gehoord en de strijd in de hemelse gewesten werd geheel gestaakt. Maar in de eindtijd, nu Gods Geest weer neerdaalt op alle vlees, wordt ook gesproken van ‘vuur en rookzuilen’, een typische aanduiding van de boze geesten met hun verstikkende werking. Ook wordt voorspeld dat in de laatste dagen ‘de grote draak, de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan’ op aarde geworpen wordt. Deze is zeer grimmig, omdat hij weet dat hem nog maar een korte tijd rest.
Waarom onderkent men deze tijd niet? Men spreekt over schrikaanjagende verschijnselen in de natuur, maar men merkt niet op dat de gemeente gekomen is aan de slotfase van de strijd in de hemelse gewesten, waarover de apostel sprak in Efeziërs 6:12. Jezus noemde de verblinde religieuze leiders ‘huichelaars’. Een hard woord, maar zij waren de wolven in schapenvachten, die de kudde verscheurden en verstrooiden. Zij verwierpen immers de prediking van Jezus aangaande het Koninkrijk der hemelen. Wij zijn ook nu niet gebaat met vergoelijkende woorden, want zij komen meestal uit de mond van hen die geen inzicht hebben in de waarheid en in de kei-harde strijd tegen de invasie van boze geesten. Het smeulende vuur van de oorlog laait weer op, want de zonen Gods worden geopenbaard. Daarom staat er in dit verband opnieuw:
‘Er kwam oorlog in de hemel.’ (Openb. 12:7).
De scheiding tussen de Waarheid en de leugen
In onze perikoop zegt de Heer: ‘Denkt u, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg Ik u, eerder verdeeldheid’. Door de prediking van het Koninkrijk der hemelen komt er een scheiding tussen het licht en duisternis, tussen gerechtigheid en ongerechtigheid en tussen waarheid en leugen. Wel zongen de engelen over een vrede op aarde, in de mensen een welbehagen, maar het grootste deel van de men-sen aanvaardt Jezus niet en zij zijn geen mensen van het ‘welbehagen’, zoals een bekend kerstlied zegt. Zelfs velen die zich christenen noemen, aanvaarden immers de scheiding niet: ze blijven onrechtvaardig en tolereren of de zonde of de leugen. Zij spreken over liefde, maar de liefde tot de waarheid bezitten zij niet.
Gods liefde gaat uit naar alle mensen en naar de gehele schepping om te bevrijden en te behouden. Wanneer deze liefde met de Heilige Geest in onze harten is uitgestort, zullen wij dezelfde gezindheid bezitten als de hemelse Vader en Jezus Christus. Juist door deze liefde die verbonden is met de geestelijke begaafdheden, kunnen wij scheiding brengen tussen de mens en de boze machten, en zo medeherstellers zijn.
Eenmaal vroeg de Meester aan zijn leerlingen:
‘Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt ben? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het!’ (Marc. 10:38,39).
De leerlingen wisten dat Jezus met de Heilige Geest gedoopt was en kenden ook de vuurdoop, want zij waren steeds bij Hem gebleven in al zijn verzoekingen (Luc. 22:28). Op zijn vraag of zij na de doop in de Heilige Geest daarna ook in staat zouden zijn de vuurdoop te ondergaan, konden zij volmondig ‘ja’ zeggen. Zij zagen immers aan Jezus welk een kracht Hij bezat tegen de vijand. Jezus is de Doper in de Heilige Geest, maar Hij doopt ook met vuur! (Matth. 3:11). Door deze doop zuivert Hij zijn dorsvloer ten einde het graan in de schuur bijeen te brengen en het kaf prijs te geven ter verbranding.
‘Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt.
Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust.’ (1 Petr. 4:12-14).