Wie is Jezus Christus?

 

U bent de Christus, de Zoon van de levende God. (Matth. 16:16)

 Zijn taak

Wanneer wij de vraag stellen, wie Jezus is, kunnen wij het beste bij zijn eigen woorden te rade gaan. Aan Johannes de Doper identificeert Jezus Zich met de volgende woorden:

‘Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt, armen ontvangen het evangelie’.

Dit was het antwoord van de Heer op de vraag:

‘Bent U het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?’

Toen de leerlingen van Johannes bij Jezus kwamen, was Deze juist bezig velen te genezen en van boze geesten te bevrijden (Luc. 7:18-23).

Nergens stelt de bijbel deze heilsfeiten als iets bijkomstigs voor, maar wel als behorende tot zijn levenstaak, waarmede Jezus het Godsrijk op aarde openbaarde. Als Petrus in het kort aan Cornelius vertellen wil, wie Jezus was, tekent hij het werk van de Meester met de volgende woorden:

‘Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren’ (Hand. 10:38).

Let in dit verband eens op de opdracht die Jezus aan zijn leerlingen gaf:

‘Toen riep Hij de twaalven samen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en om ziekten te genezen’ (Luc. 9:1).

Als Jezus naar de hemel vaart, is zijn laatste opdracht:

‘Verkondig het evangelie in de gehele wereld en in mijn naam zullen de gelovigen boze geesten uitdrijven en op zieken zullen zij de handen leggen’ (Marc. 16:15-18).

De Hebreeënschrijver spreekt van een heil

‘dat allereerst verkondigd is door de Heer, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil’ (Hebr. 2:3,4).

Dit alles is waarlijk geen duistere taal en het werkprogramma wordt hiermede duidelijk aangegeven. In de Handelingen van de apostelen lezen wij dan ook:

‘En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee. En zij werden allen genezen’ (Hand. 5:16).

In hun bidstonden vragen de leerlingen: 

‘Geef uw dienstknechten met vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen gebeuren door de naam van uw heilige knecht, Jezus’ (Hand. 4:30).

Was dit verkeerd van de leerlingen? Is het fout, als wij dit gebed van de leerlingen overnemen? Geloven wij in de persoon van Jezus, zoals de bijbel Deze beschrijft, naar hetgeen ‘Hij begonnen is te doen en te leren’? Of hebben wij een Heer, die bijgewerkt en gefatsoeneerd is voor onze tijd? Wij komen voor de keuze: een bijbelse Jezus te aanvaarden of ons een beeld te vormen naar eigen gedachten en gelijkenis. Wil de Heer Zich nog openbaren op een bijbelse wijze, of heeft Hij Zich nu aangepast aan tradities van mensen en inzichten van theologen? Of is het nog altijd zo, dat het voor wijzen en verstandigen verborgen is en aan de eenvoudige mensen geopenbaard? (Matth. 11:25). Toen Philippus naar Samaria afdaalde

‘predikte hij aan hen de Christus’.

Philippus predikte hen geen theologie, hij bracht geen leerstukken, maar alleen de levende Heiland.

‘Alle inwoners luisterden met grote belangstelling en vol ontzag naar wat hij zei toen ze de wonderen zagen die hij verrichtte: veel mensen werden bevrijd van onreine geesten, die hen onder luid geschreeuw verlieten, en tal van verlamden en kreupelen werden genezen.’ (Hand. 8:6,7).

 Waartoe gezalfd?

Op de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ antwoordde Petrus:

‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’.

Het Griekse woord Christus betekent gezalfde. In het oude verbond werden koningen en priesters met olie gezalfd. Dit was een zichtbare zaak. Niemand kon dus vanuit de traditie of menselijke inzichten Jezus voor een koning of priester houden, want Hij was niet met olie gezalfd. Hoe kon Petrus dan zeggen: ‘U bent de gezalfde?’ Het antwoord vinden wij in Handelingen 10:38, waar deze apostel zegt, dat God Jezus met de Heilige Geest en met kracht gezalfd had. Jezus was dus koning en priester in de hemelse gewesten. Dit had Petrus gezien. Nooit had hij deze waarheid van mensen kunnen vernemen. Daarom sprak de Heer:

‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel’.

Op deze uitspraak van Petrus wordt de gemeente in de onzienlijke wereld gebouwd, want door zijn priesterschap vergeeft Jezus de zonden en koopt Hij zijn volk vrij uit de macht van satan. Zijn koningschap is ook niet van deze aarde, want Hij heerst over de onzichtbare vijanden en leidt en regeert zijn volk door zijn Heilige Geest. De bediening van Jezus lag geheel in de hemelse gewesten.

Men spreekt in bepaalde kerken graag over de centrale plaats van de woordverkondiging. De plaats en de vorm van de kansel laten gewoonlijk ook niet anders toe. Jezus deed echter zijn woordverkondiging vergezeld gaan met het uitdrijven van boze geesten en het genezen van zieken. Ook in de grote opdracht van Marcus 16 gaat de prediking van het evangelie met dezelfde tekenen gepaard. Waar dit niet gebeurt, heeft men een onvolledig evangelie; dus geen vol evangelie. Dan brengt het evangelie geen vrijheid en heil voor zwaar gebonden zondaars en voor zieken. Men bepaalt zich dan tot een uiteenzetting over wat Jezus eenmaal deed; men spreekt over zijn wonderen en zijn tekenen. Het evangelie van God bestaat echter niet in woorden, maar in kracht (1 Cor. 4:20). Hiermede wordt niet het harde roepen bedoeld, noch een wetenschappelijke methode om een krachtige preek op te bouwen, noch het luide verkondigen dat men de zuiverste leer bezit, maar de daadwerkelijke belevenis in vergeving en verlossing van zonden, het uitdrijven van boze geesten en de genezing van zieken. Wat Jezus deed, behoren ook wij te doen. Hij heeft ons het voorbeeld nagelaten, opdat wij in zijn voetsporen zouden wandelen. Hij sprak: ‘De werken die Ik doe, zal mijn leerling ook doen en grotere nog dan deze’ (Joh. 14:12).

 Zijn navolgers

Paulus noemde zich een navolger van Christus en hij beschreef zijn loopbaan aldus:

Ik zal over niets anders spreken dan wat Christus door mij tot stand brengt om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen: door wat ik zeg en doe, door zijn macht waarmee ik tekenen en wonderen verricht door de macht van Gods Geest. Zo heb ik vanuit Jeruzalem en helemaal tot aan Illyrië het evangelie van Christus verspreid. (Rom. 15:18-20).

Laten wij het diep in het hart griffen, dat de evangelieverkondiging gepaard moet gaan niet alleen met de vergeving van zonden, maar ook met het losmaken van de banden van de zonden en zo nodig met het uitdrijven van boze geesten en het genezen van zieken. Geen dag ging voorbij, zelfs niet de laatste paar dagen voor zijn lijden en sterven, of Jezus wierp Zich in deze strijd tegen de boze geesten. Hij sprak:

‘Zie, Ik drijf boze geesten uit en genees, vandaag en morgen, en op de derde dag ben Ik gereed’ (Luc. 13:32).

Aan zijn volgelingen gaf Hij de opdracht op dezelfde wijze te handelen. Willen wij nu Jezus volgen in de geestelijke strijd, of kiezen wij de gemakkelijkste weg: die van overlevering en van verstand? Prediken wij Jezus, zoals de Schriften Hem voorstellen, of prediken wij een ander? Welke Jezus kiest u? Wilt u de Heiland volgen op de wijze die de vaderen u overleverden en naar de ‘adat’ van uw stad en dorp, uw familie of uw land? Of zoekt u waarlijk Hem, waarvan de profeten en apostelen spraken en die Dezelfde is, gisteren, heden, morgen en tot in eeuwigheid? Dit is de Heer, die ook dezelfde werken doet door dezelfde kracht, maar vandaag daartoe zijn gelovige volgelingen gebruikt.

 Niet tegen vlees en bloed

In Efeziërs 6:12 wordt ons duidelijk gemaakt, wie onze vijanden zijn tegen wie wij alleen strijden moeten.

‘Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereld-beheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.’

Onze strijd is niet tegen sterfelijke mensen, die God vóór alles wil behouden, maar tegen de goddeloze geesten. Onze opponenten zijn nooit mensen, maar geesten, die vaak door personen heen werken. Deze geesten zijn bij de mensen, in de mensen en zij kunnen de mensen vervullen, zodat zij van boze machten bezeten zijn. Deze onzichtbare krachten, deze intelligente wezens hebben het op uw ondergang gemunt. Zij vormen het leger van de vorst van de duisternis. Hun doel is om de mens in gehoorzaamheid te houden aan de leugenaar vanaf het begin en de wetten die God voor het menselijke leven gegeven heeft, te breken of misschien maar even te verschuiven. Zo bewerken zij in het mensenleven de zonde en de ziekte. De kinderen van God worden evenwel geroepen om in navolging van hun verhoogde Meester de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3:8). Onze tegenstanders hebben nooit vlees en bloed! Voor de betekenis van de woorden ‘vlees en bloed’ verwijzen wij naar Mattheüs 16:17, 1 Corinthiërs 15:50, Galaten 1:16 en Hebreeën 2:14.

Wij worden belegerd door duivelse legermachten en wij moeten hen weerstaan en uitdrijven. Onze worsteling is niet tegen buren, tegen broeders, tegen vijanden, tegen zondaars, tegen zieken, tegen aardse overheden en machthebbers. Wij zullen hen liefhebben en voor hen bidden, maar wij zullen strijden tegen de demonen, die hen ‘begeesteren’, dat is van een geest voorzien, hen misleiden, hen kwellen, hen schenden en hen als instrument gebruiken. Paulus voegde er in Efeziërs 6 nog aan toe:

‘En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de geest’.

Bidden in de geest is bezig zijn in de hemelse sferen. Daar loven en prijzen wij onze God, bidden wij voor gebondenen en bestraffen wij de machten. Wanneer wij mensen in samenkomsten bedienen, kunnen wij ook zeggen: ‘Ik zal voor je bidden’. Het sluiten van de ogen en het vouwen van de handen is een beeld, dat de mens zich afsluit van de natuurlijke wereld en zijn inwendige mens concentreert in de hemelse gewesten. Ook het bidden in nieuwe tongen is een bidden in de geest (1 Cor. 14:15). Wij worden opgeroepen om in de geest te strijden en verder naar het vlees alles over onze kant te laten gaan. Ook hebben wij niet, zoals velen denken, te strijden tegen eigen vlees en bloed. Dit voert tot de gedachte dat de mens bij het sterven, wanneer hij vlees en bloed aflegt, de strijd gewonnen heeft en dan pas gelukkig wordt. Dit is een van de listigste verzinsels van de duivel, want de Schrift spreekt van gelukkig ‘zijn’ en dit ondanks verdrukkingen en smaad (1 Petr. 3:14 en 4 :14).

 Jezus is de Verlosser

In Mattheüs 16:18 staat, dat de poorten van het dodenrijk de gemeente niet zullen overweldigen. De poorten of toegangen tot het dodenrijk zijn zonde en ziekte.

‘Wanneer de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort’ (Jac. 1:15).

Ook de ziekte voert tot de dood. De dood die in verband met de zonde staat, is geestelijk en vormt een scheiding met het leven. De dood in verband met de ziekte is lichamelijk en tijdelijk. Waar het evangelie van Jezus Christus gebracht wordt, wankelen deze poorten van het dodenrijk. Het uitwerpen van boze geesten en het opleggen van handen bij zieken komen neer op het binden van demonische machten en het ontbinden of losmaken van banden, waarmee men door zonde of ziekte aan het rijk van de duisternis verbonden is. Er zijn drie koninkrijken: van God, van de duivel en van het dodenrijk. Er is een Koninkrijk Gods, dat bestaat uit rechtvaardigheid, vrede en blijdschap en dat niet van deze wereld is (Rom. 14:17). Er is ook een koninkrijk van satan, waaraan de mens na zijn val met deze aarde onderworpen is (Matth. 12:26). En het dodenrijk waar Dood koning is.

‘Dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken, En  Dood en het dodenrijk werden in de poel van vuur geworpen. Dat is de tweede dood: de poel van vuur.’ (Op. 20:13,14).   

Wij bidden: ‘Verlos ons van de boze, want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid’. Wij belijden daarmede dat het Koninkrijk Gods triomfeert en wij in deze overwinning willen delen. Als de zonde in ons heerschappij voert, zijn wij onderworpen aan een macht, een koninkrijk, namelijk dat van de boze. Wanneer een mens gebonden is, is er een verbinding, sterk of zwak, met het rijk van satan, waardoor deze pressie uitoefent om hem tot zonde te brengen of ziek te maken. Wanneer hij volkomen overweldigd is en in zijn eigen levenshuis opgesloten zit als in een kelder, terwijl boven hem de demonen huishouden, is zulk een mens bezeten, hetzij tijdelijk, hetzij blijvend.

 Binden en ontbinden

In verband met het schenken van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, sprak de Heer:

‘Wat u op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zal, zal ontbonden zijn in de hemelen’.

Het is mogelijk dat men door vasten en gebed bij zichzelf of anderen verbindingen verbreekt of boze geesten uitwerpt. Het is ook mogelijk dat men dit doet in de naam en in de autoriteit van de Heer Jezus. De uitspraak van Petrus in het aangehaalde hoofdstuk van Mattheüs geeft het fundament van iedere overwinning:

‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God!’

Welke weg men ook bewandelt om vrij te worden of vrij te maken uit de klauwen van de boze, het berust alles op het volbrachte werk van onze Here Jezus Christus, op zijn beloften en toezeggingen. Een vaste methode voor het uitdrijven van duivelen geeft de Schrift niet, evenmin als voor de genezing van ziekte. De een geneest door geloof, een ander op het gelovig gebed van broeders en zusters, een derde door oplegging van handen, een vierde door zalving met olie en na belijdenis van zonde, een vijfde tijdens de doop, anderen onder de prediking van het Woord of het gebruik van het avondmaal. Vele gelovigen grijpen tijdens hun ziekte zich vast aan de woorden:

‘Als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont’ (Rom. 8:11).

Gods Geest in ons wil ons sterfelijke lichaam doen functioneren naar zijn wetten, en naar de bedoeling van God, waartoe Hij alle organen in ons schiep. Jezus kwam niet voor rechtvaardigen, maar voor zondaars. Hij kwam niet voor gezonden, maar voor zieken. In hen openbaarde Hij de kracht en de liefde van God. Jezus verloste hen allen van de boze geesten en wanneer Hij deze uitgedreven had, genas Hij hen. Eerst maakte Hij het huis leeg en dan herstelde Hij de bouwval. Het was als bij de bevrijding van de vroegere Chinese vrouwen, wier voeten gebonden waren. Eerst moesten de banden losgemaakt worden en dan konden bij het herstel de voeten hun functie weer verrichten.

 Overweldiging door demonen

Het leven van de alcoholist, de misdadiger, de hoer, de verslaafde, de krankzinnige, de zwakzinnige, de gokverslaafde, de zelfmoordenaar, de kleptomaan, geeft het duidelijkste bewijs, dat er diepere oorzaken zijn dan lichamelijke of verstandelijke letsels en afwijkingen. De losbandigheid en de misdaad, waartoe vele mannen en vrouwen, openlijk of in het verborgene, gedreven worden, hoewel zij zeer goed de verschrikkelijke gevolgen naar lichaam, ziel of geest kennen, wijzen erop, dat de onreine machten, waarover de bijbel spreekt, bestaan. Er zijn boze geesten, die heerschappij en controle over de mens uitoefenen en hun slachtoffer meedogenloos naar de afgrond voeren. Zij dwingen de mens tot zonde, waardoor deze zijn blijdschap en zijn vrede, maar ook zijn eer, reputatie, gezin en werkkring prijsgeeft. Wanneer de geest van de mens door een onweerstaanbare kracht overmeesterd wordt, wie kan dan ontkennen dat demonie de oorzaak is? Hoe kan men de begeerte tot zelfmoord beter definiëren dan als de kracht van een demon, die alle kenmerken van satan heeft? Deze is immers de mensenmoordenaar vanaf het begin en de grote leugenaar. Toen satan in Judas Iskáriot voer, dreef deze macht hem voort, tot hij door verhanging een einde aan zijn leven maakte. Iedere misdaad vindt zijn begin in de kracht van deze onzichtbare, afschuwelijke persoonlijkheden, die alleen verdreven kunnen worden, indien het evangelie gebracht wordt, niet slechts met woorden, maar ook met kracht. De Schrift leert duidelijk dat geen hoerenloper, onreine of losbandige, niemand die besmet is met occultisme, die overhoop ligt met zijn naaste, zelfzuchtig of gierig is, ook geen driftkop of iemand die in drinken en verbrassen zijn vermaak vindt, of die in een ander opzicht buiten de volmaakte wet van God leeft, deel heeft aan het Koninkrijk van God (Gal. 5:20).

De praktijk leert evenwel dat velen van deze gebondenen niet in staat zijn zich te bekeren, omdat de demonische machten die hen onderdrukken, sterker zijn dan zij. Een evangelie, dat een schijn van godsdienst draagt, maar de kracht ervan verloochent, is niet in staat deze mensen tot gehoorzaamheid van het geloof te brengen. Wanneer in de naam van Jezus de demonen zijn teruggedreven, kunnen ook deze mensen het evangelie in zijn volle heerlijkheid aanvaarden en ervaren!