Pinksteren 1

 

 ’Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen!’ (Zacharia 12:10 – NBG 1951) 

Slechts weinige gelovigen zullen niet weten wat de historische betekenis is van Pinksteren: de uitstorting van de Geest over het volk van God van het Nieuwe Testament. Wie echter een juist beeld van Pinksteren wil krijgen, zal verder moeten kijken dan het historische gebeuren alleen. Het gaat niet alleen om wat er op die eerste Pinksterdag gebeurde. De vraag is, wat de plaats van Pinksteren in Gods plan met zijn kinderen is. Wat wil dit in ons persoonlijk leven uitwerken? Wat mogen we nu precies van de Pinksterervaring verwachten, welke nieuwe dimensies zal zij aan ons geloofsleven toevoegen?

Voor sommigen spreekt Pinksteren van een doorbraak in het innerlijk leven: een uitstorting van kracht om de zonde te overwinnen, resulterend in levensheiliging en overwinningsleven. Volgens anderen bestaat zij in eerste instantie in ‘kracht om te getuigen’: In de ‘bekwaamheid om door de prediking van het evangelie reddende indrukken bij de toehoorders op te wekken’, zoals Charles Finney, Amerika’s grootste evangelist van de vorige eeuw het placht te zeggen. Nu zal inderdaad Pinksteren zijn uitwerking op persoonlijke heiligmaking en getuigendienst niet missen. Het is echter de vraag of we hier eigenlijk niet eerder met de uitwerking van Pinksteren te maken hebben. Wat is echter de brón van dit alles? 

Vervulde profetie

Wie op zoek gaat naar een definitie van het pinkstergebeuren, zal op de profetie van Zacharia stuiten, die in dit verband spreekt over ‘de Geest van genade en van de gebeden’ die over Gods volk zou worden uitgestort. Was het naar de uitstorting van de Geest op de Pinksterdag dat deze profeet verwees? Het heeft er veel van weg. In het licht van de geschiedenis is het duidelijk dat het tweede gedeelte van Zacharia’s profetie zonder meer rondom Pasen en Pinksteren haar vervulling vond. Al bij de kruisiging immers werd men zich bewust wie men eigenlijk ter dood bracht. Johannes beschrijft het lijden van onze Heer dan ook in al zijn wreedheid en tekent daarbij aan:

‘Want dit is gebeurd, zodat het Schriftwoord vervuld zou worden. . . Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben’ (Joh. 19:36,37).

Lucas geeft dan verder weer hoe de bewustwording van wat men eigenlijk aan het doen was, zich verder uitwerkte:

‘De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen’ (Luc. 23:48).

Op de Pinksterdag, enkele weken later, als de indrukwekkende taferelen rondom de kruisiging – de dikke duisternis, de aardbeving, het scheuren van het voorhangsel – nog steeds niet zijn vervaagd, haakt Petrus in zijn toespraak op dit alles in:

‘Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden, . . deze Jezus, die u gekruisigd hebt’ (Hand. 2:23, 36).

Heeft men op Goede Vrijdag met het natuurlijk oog op ‘Hem die zij doorstoken hebben’ gezien, op de Pinksterdag worden de schellen van de geestelijke ogen gerukt en ‘weeklagen de mensen over Hem’. Lucas vermeldt dan ook: ‘Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ (Hand. 2:37). Moet Zacharia’s profetie over het lijden van de Heer in historisch perspectief worden geplaatst, dan ook zijn voorspelling over de uitstorting van Gods Geest: het was op de Pinksterdag dat de ‘Geest van genade en van de gebeden’ over Gods volk werd uitgestort! 

De manifestatie van de Geest van de gebeden

In dit licht wordt de opvolging van gebeurtenissen op de Pinksterdag wel bijzonder rijk aan betekenis. De vraag dient zich aan, wat de eerste reactie van de gelovigen op het ontvangen van de Geest is geweest. Ervoeren zij onmiddellijk het ‘overwinningsleven’, dat de pinksterervaring zou moeten brengen, dus overwinning over de zonde? Trokken ze dadelijk erop uit om wonderen en tekenen te verrichten? Was hun eerste daad het vrijmoedig prediken van het evangelie? Mag de komst van de Geest uiteindelijk in dit alles hebben geresulteerd, Lucas tekent over het gevolg van de eerste uitstorting van de Geest het volgende aan:

‘En allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven’ (Hand. 2:4).

Waarom nu dit spreken in tongen als eerste reactie op de komst van de Geest? Betreft het hier een wonderlijke, niet ter zake doende speling van omstandigheden? Om een bijzonder goddelijk ingrijpen, om het aparte van het pinkstergebeuren te accentueren? Dit kan moeilijk het geval zijn geweest: dit spreken in tongen was nauw met de essentie van de pinksteruitstorting verbonden. Spreken in tongen is immers bidden, zoals de apostel het stelt:

‘Wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimen’ (1 Cor. 14:2).

Dit spreken in tongen was hier de aanwijzing dat God vervulde wat Hij door de mond van de profeet beloofde: de uitstorting van de Geest van genade en van de gebeden. De gelovigen spraken op de Pinksterdag in tongen, omdat de Geest van de gebeden op deze manier een nieuwe dimensie aan hun gebedsleven toevoegde. Dit spreken in tongen was dan ook een meest voor de hand liggende zaak: het is een bidden vanuit een duidelijk geïnspireerd zijn en geleid worden door de Geest, een uiting van een duidelijke revolutie in het gebedsleven, tot stand gebracht door de ‘Geest van de gebeden’. Hiermee komen we op het wezenlijke van Pinksteren: Gods Geest zoekt gelegenheid tot openbaring te komen in ons gebedsleven. Wil Pinksteren iets in ons leven uitwerken, dan is het voor alles dit, dat het ons aanzet tot een waarachtig ‘bidden in de Geest’, zoals dit met een bijbelse term heet. 

Twee soorten van gebed

Op dit punt is het misschien gewenst, uitdrukkingen te definiëren. Spreekt de bijbel over de noodzaak van het ‘bidden in de Geest’ (Efeze 6:18 en Judas, vers 20), ze bezigt ook een uitdrukking als ‘bidden met de (mijn) geest’, de menselijke geest, wel te verstaan. Wat nu is de overeenkomst en wat is het verschil tussen beide? Om duidelijk te maken wat met ‘bidden in de Geest’ wordt bedoeld, zouden wij een andere manier van bidden kunnen noemen, namelijk ‘bidden in het vlees’. Wanneer men de analoge tegenstelling tussen het ‘wandelen naar de Geest’ en het ‘leven naar het vlees’ in gedachten houdt, zal duidelijk worden wat hier wordt bedoeld. ‘Bidden in het vlees’ is – evenals het leven naar het vlees – het geleid worden door eigen menselijk inzicht en gedreven worden door natuurlijke instincten. Hoewel de term niet uitdrukkelijk genoemd wordt, is het de apostel Jacobus die op dit ‘bidden in het vlees’ wijst:

‘U krijgt niets omdat u niet bidt. En als u bidt ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt: u wilt alleen uw eigen hartstochten bevredigen’ (Jac. 4:2,3).

Op dit punt nu falen de meeste gelovigen. Hun bidden is niet meer dan het aanbieden van allerlei eigengereide wensen, en als er al met vuur gebeden wordt, is dit slechts vanuit puur menselijke wilsinspanning en grimmige vastberadenheid.

Hoe anders nu is het ‘bidden in de Geest’. Deze vorm van gebed wordt gekenmerkt door een bidden onder leiding van de Geest, een bidden naar Gods wil, gedreven door zijn kracht. Het is naar dit bidden dat de apostel verwijst, als hij stelt:

‘De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten’ (Rom. 8:26).

‘Bidden in de Geest’ is bidden vanuit de bijstand van de Heilige Geest. Verder hebben we in dit verband het ‘bidden met de geest’ genoemd. Dit nu moet (ook hier een tegenstelling) tegenover het bidden ‘met het verstand’ worden geplaatst. Om zo het ‘bidden in tongen’ te onderscheiden van het ‘gewone gebed’. Waar de apostel deze uitdrukking gebruikt: ‘Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand’ (1 Cor. 14:15), is het om aan te duiden, dat bij het spreken in tongen niet het menselijke verstand, maar de heilige Geest de woorden bepaalt die de intiemste gevoelens van het hart moeten vertolken. Over degene die het spreken in tongen beoefent, merkt hij dan ook op: ‘Door (Heilige) Geest spreekt hij geheimen’ (1 Cor. 14:2). Hiermee nu is het werk van de Geest in het gebed duidelijk afgebakend. Waar men ‘met de geest’ – dus in tongen – bidt, is dit tevens een bidden ‘in de Geest’, aangezien dit bidden immers onder de leiding en door de kracht van de heilige Geest tot stand komt. Men spreekt de vreemde talen immers ‘zoals de Geest het geeft uit te spreken’ (Hand. 2:4). Niet alleen bidden in tongen is echter ‘bidden in de Geest’. Elk gebed, ook dat ‘met het verstand’, hoort immers vanuit de leiding van de heilige Geest en zijn kracht tot stand te komen. Alleen dit bidden zal de Heer welgevallig zijn: het bidden in de Geest. 

Ruimte voor de Geest

De vraag die zich nu aandient is deze: hoe zullen we tot dit bidden in de Geest, tot dit bidden dat God zoekt, komen? In feite hebben we al een antwoord aangetipt: wil ons gebedsleven vernieuwd worden, dan zullen we een persoonlijk Pinksteren moeten ervaren. De Geest die daarbij uitgestort wordt, is immers de ‘Geest van genade en van de gebeden’. In dit verband zal die ene, bijzondere vorm van bidden in de Geest – het bidden in tongen – niet zomaar als iets bijkomstigs mogen worden afgedaan. Komt de Geest om in ons gebedsleven een omwenteling teweeg te brengen, waarom zou Hij dit dan niet door deze vorm van bidden in de Geest doen? Waarom zou de Heer, waar Hij zo aandringt op de noodzaak van bidden in de Geest, deze ene vorm van bidden aan enig kind van God onthouden? Hierbij moet opgemerkt worden dat veel aversie tegen het spreken in tongen juist vanuit een onwil schijnt voort te komen om de Geest in het gebedsleven de vrije hand te geven. We willen het allemaal graag zélf doen, de touwtjes bij ons bidden zélf in handen houden, ons inspannen om de Heer te laten zien hoe oprecht we het allemaal menen en met wat voor wilskracht we ons op het bidden werpen. Vóór alles is dan ook een dosis nederigheid nodig, een erkennen dat we het bij het bidden niet zelf kunnen klaarspelen en volkomen van Gods Geest afhankelijk zijn. Die nederigheid zal juist bij het spreken in tongen tot uiting mogen komen, want het is immers bij uitstek bij deze vorm van gebed dat men zich volledig op de bijstand van de Geest verlaat.

Twee factoren die bij het zoeken naar een waarachtig bidden in de Geest vereist zijn, vormen die van tijd en concentratie. We zouden niet willen suggereren dat het effect van ons bidden evenredig zou zijn met de tijd die we daaraan besteden, alsof bidden in de Geest het leveren van een soort prestatie zou zijn. Waar het leven van alledag ons echter zo volkomen opeist, is echter vaak rust en concentratie onontbeerlijk om tot een waarachtig gebedsleven door te breken. Bij het bidden immers maakt men zich los van het aardse om het hemelse te zoeken. Het is dan ook geen wonder dat de Heer in dit verband het ‘gaan in de binnenkamer’ en het ‘vasten’ noemt. Nu moeten beide suggesties niet op hun puur letterlijke, doch op hun geestelijke waarde worden geschat: de Heer roept ons op ons van aardse zorgen en genoegens los te maken en ons op de hemelse dingen te concentreren. Deze zullen bewust gezocht moeten worden. En wie zoekt, zal vinden. . .

Ten slotte is daar de inwerking van Gods Woord op ons gebedsleven, een belangrijke factor bij het bidden in de Geest. De Geest die ons tot bidden inspireert, is dezelfde die ook vanuit het Woord tot ons komt. In feite hoort hier van een wisselwerking sprake te zijn: het is de Geest die ons vanuit het Woord van God beloften voorhoudt en ons daarop in staat stelt dezelfde beloften de Heer voor te houden en te pleiten op zijn trouw aan zijn eigen toezeggingen. Bidden in de Geest gaat altijd gepaard met een vrijmoedig ‘claimen’ van Gods beloften. Wie in de Geest wil leren bidden, zal bereid moeten zijn Gods Woord bij dit bidden op zich in te laten werken. George Müller, de ‘vader van de wezen’, die zich in de vorige eeuw over duizenden kinderen ontfermde, verhaalt hoe hij op dit punt zijn les leerde: aanvankelijk had hij de gewoonte de dag zonder meer met gebed te beginnen en God zijn noden voor te houden. Vaak voelde hij echter dat het ware vuur ontbrak en zijn gebeden niets anders dan klaagzangen waren. Totdat deze godsman leerde zich vóór alles aan Gods Woord vast te klemmen, door de bijbel ter hand te nemen en zich in Gods beloften te verdiepen. Als hij dán op de knieën ging om God aan te roepen over de nood van zijn bediening, was het vanuit de inspiratie die het Woord hem gebracht had. Het was het Woord dat de Geest van gebed vaardig over hem deed worden. 

Onze opdracht

Pinksteren is het feest van gebedsvernieuwing. Laten we de Geest die in de Pinksterervaring tot ons komt dan ook ruimte geven. Laten we er voor waken dat de Geest van genade en van de gebeden ons elk ogenblik tot waarachtig gebed brengen kan. Pinksteren zal dan in ons persoonlijk leven zijn uitwerking zeker niet missen. Laten we daarom de bijbelse vermaning ter harte nemen:

‘Maar u, geliefde broeders en zusters, moet uw leven bouwen op het fundament van uw zeer heilige geloof. Laat u bij het bidden leiden door de Heilige Geest.’ (Judas, vers 20).