De geboorte van de Zoon
Afgemat en depressief
Wij willen ons tijdens deze kerstdagen bezighouden met de profetieën van Jesaja in hoofdstuk 8:23 – 9:4 over de geboorte van Jezus en zijn optreden als Messias. We zien dan dat de kerk van het oude verbond was ondergegaan in het occultisme, zoals we dit ook bij die van nieuwe verbond kunnen constateren. Er is sprake van een ondervragen van de geesten van doden, dus van spiritisme. Men ging zelfs in de graven zitten om maar contact met het dodenrijk te hebben (65:4). De waarzeggers lispelden op de grond liggende allerlei toverformules en de piepende en fluisterende geluiden die vernomen werden, wezen op de gemeenschap met boze geesten, die de verborgen en toekomende dingen zouden openbaren (8:19). Het gevolg was, dat het volk van God depressief en gedrukt was, ellendig en hongerig. In haar vertwijfeling zag de massa het niet meer zitten en in radeloosheid en woede gooide zij alles overboord en vervloekte haar leidslieden en God. Zij riep om hulp, maar alles was donker en overal heerste het klimaat van de dood. Als men de blik omhoog richtte, kwam men in de duistere zijde van de geestelijke wereld terecht en als men naar de grond blikte, bleef alles donker en angstig. Zo was het ook toen Jezus de steden en dorpen langs trok en te midden van het volk van God in de synagogen leerde. Hij zag de mensenmassa’s en werd met innerlijke ontferming bewogen, omdat zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. Jezus zag het juk dat hen drukte, de stang op hun schouder en de roede van de drijver die hen opjaagde. Zij waren afgemat of depressief, want niemand verbond hun wonden en verzorgde deze moede kudde. Wat was er na zovele eeuwen van Gods volk terecht gekomen? Toen Jezus in de geest dit resultaat van eeuwenlange uitverkiezing zag, sprak Hij ontroerd:
‘De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzendt in zijn oogst’ (Matth. 9:36-38).
En vandaag?
En hoe is het in onze tijd? De oogst is ook nu ontzaglijk groot. Zoals in de tijd van Jezus in de synagogen vele leringen werden verkondigd, maar geen leer over het Koninkrijk der hemelen en geen weg gewezen werd om zonde, ziekte en leugen te overwinnen, zo ook nu. Er zijn veel zieken, veel gebondenen, veel verleugenden in allerlei kerken en kringen. Er is een ontzaglijk werk te doen. Eeuwen lang zijn de gestorven ‘heiligen’ aangebeden, dus geesten van doden: er kwam geen redding. Men vergaderde wel niet in de graven, maar men begroef wel de doden in de kerk en voelde zich met dit voorgeslacht ten nauwste verbonden. Door wie werden deze ‘vaderen’ bevrijd en wat te denken van de belijdenisgeschriften die deze bezette mensen bindend verklaarden? Het volk van God kreeg niet het juiste voedsel, de juiste leer en werd daarom niet geholpen. In armoede en ellende zoekt men tegenwoordig zijn toevlucht in oosterse godsdiensten met hun transcendente meditatie en yogaleer. Deze zijn evenwel surrogaten uit het rijk van de duisternis. Daarom grijpen wij naar het licht dat door de profeet werd voorspeld, naar de leer van Jezus Christus die alleen redding en herstel brengt. Bidt daarom om arbeiders die bezig zijn in de hemelse gewesten en die doen wat Jezus deed.
Een Zoon is gegeven en de heerschappij is op zijn schouder
Vanaf vers 23 breekt evenwel het licht door: Een rest uit de grote massa zal behouden worden. Dit gebeurde in Jezus’ dagen en zal ook in onze tijd weer geschieden. Juist in het meest occulte gedeelte van het land Israël, in het Galiléa van de heidenen, zou de prediking van het Koninkrijk der hemelen het eerst worden vernomen. ‘De heidense landstreek’ is het stamgebied van Aser, Naftali, Zébulon en Issaschar. Het licht begint niet te stralen uit de tempel van God te Jeruzalem, zelfs niet in Bethel, maar aan de zelfkant, bij de randkerkelijken, waar geen goeds vandaan kon komen. In de grensgebieden van het afgodische Fenicië met de steden Tyrus en Sidon, waar de Kanaänieten en Amorieten woonden, ‘over de zeeweg’, de via Maris, dat is de kustweg van Damascus naar Egypte, begint de verlossing en zegening zich te openbaren. Aan deze route lagen Nazareth en Kapernaüm. Hier zat Mattheüs in zijn tolhuis en over deze weg reisde Saulus; ‘dreiging en moord blazend tegen de discipelen van de Heer’, totdat hij het grote licht uit de hemel zag. Dit randgebied was lang geteisterd door de Syriërs en de Assyriërs in de natuurlijke wereld en door de occulte geesten in de onzienlijke wereld. Maar waar in het verleden smaad en verachting was, zal nu het grote licht gaan schijnen. Deze streek krijgt op bijzondere wijze deel aan de genade. De tegenstellingen zijn duidelijk: benauwdheid tegenover ‘geen donkerheid’, smaad wordt eer, diepe duisternis maakt plaats voor een groot licht. Vers 2 vertelt over de situatie die in de tijd van Jezus was, maar die wij ook in onze tijd weer kunnen opmerken. De Statenvertaling luidt terecht:
‘Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt’.
De oorspronkelijke tekst heeft dus ‘niet groot gemaakt’. De Septuagint heeft: ‘De menigte van het volk aan wie Gij de vreugde hebt ontnomen; zij zullen zich verblijden zoals bij de oogst’. Zo is het immers ook tijdens de geschiedenis van de kerk gegaan: een geweldige toevoeging van zielen, maar de prediking bracht in plaats van vreugde, grote angst voor hel en verdoemenis. Onze vaderen waren geen blijde christenen, want zij misten de leer van Jezus, die van bevrijding en verlossing. Zoals tijdens de omwandeling van onze Heer op aarde, zo komt ook nu weer door de prediking van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, het heil onder ieders handbereik.
Geen strijd in de hemelse gewesten
Neen, de daden van de Zoon die eens in de kribbe van Bethlehem lag, hebben niets kinderlijks. De stille velden van Efratha mogen nog iets romantisch bezitten, maar de plaatsen van zijn optreden zijn in de profetie slagvelden. Er zijn een dreunende soldatenlaars, bloeddoordrenkte mantels van gesneuvelde krijgslieden, een veld bezaaid met lijken, inderhaast weggeworpen wapens en verder brandstapels, waarop men alle buit prijsgeeft aan het vuur. De komst van onze Heer in het heidense Galiléa, maar ook in de hele wereld, wordt vergeleken met Midiansdag, toen Gideon zo’n wonderlijke zege op de Midianieten behaalde. Dan is alle romantiek ver te zoeken. Het is de voorzegging van een Dingaansdag, het begin van een strijd waarin het leger van de vijand wordt neergeslagen. Het is juist deze ontzaglijke worsteling in de hemelse gewesten, welke hier uitgebeeld wordt en die men in de prediking verzwijgt. Waar men het volle evangelie loslaat, zal men allereerst deze worsteling in de hemelse gewesten weer met allerlei schoonschijnende redeneringen verdoezelen.
’Een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op zijn schouder’
De profeet spreekt over het eeuwig voornemen van de Heer in de voltooid tegenwoordige tijd: er is een Kind geboren en er is een Zoon gegeven en de heerschappij is op zijn schouder, hoewel alles nog toekomende tijd was. Zo zal later Johannes van de afgevallen kerk betuigen:
‘Gevallen, gevallen, is de grote stad Babylon! Zij is geworden een woonplaats van duivels, een schuilplaats voor alle onreine geesten’.
Jesaja dacht niet in de eerste plaats aan een hulpeloos kind, want ‘een Zoon is ons gegeven’. Dit klinkt als een triomf. Hij is de man die de ereplaats inneemt, die optreedt tegen de vijand, die de plaats inneemt voor zijn op leeftijd gekomen ouders.
Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde
Het raadsplan van God wordt ons hier geopenbaard. Een Kind is geboren en een Zoon is gegeven en Hij is overwinnaar. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. De profeet tekende de strijd in de onzienlijke wereld. Eerst liepen wij onder een zwaar juk, al zuchtende. Dan volgt de strijd in de hemelse gewesten: de roede van de drijver die de slachtoffers opjoeg, wordt verbroken. De profeet zag eeuwen van te voren wat Jezus deed en wat diens volgelingen zouden doen. We noemen: Maria van Magdalena, uit wie zeven demonen werden geworpen, we herinneren ons de maanzieke knaap, die telkens door de boze geesten gegrepen werd, zodat hij zich aan het vuur brandde of in het water terechtkwam. Dan volgt de gelovige dochter van Abraham die achttien jaar lang vreselijk gebonden was, zodat zij zich niet kon oprichten. Welk een overwinning werd er niet behaald bij de bezetene van Gadara, waar een legioen demonen naar de afgrond werd verwezen. We denken ook aan de werken van de apostelen en we weten dat wij ook in deze strijd zijn betrokken en de overwinning zullen behalen.
Verlost uit de handen van al zijn vijanden
De schoen die dreunend stampt, de soldatenlaars, is beeld van de overheersing door boze geesten. Zij worden nu ter aarde geworpen. De in bloed geverfde mantels van de demonen, die als vampiers alle leven en blijdschap wegroofden, worden verbrand. Hun rest gevangenschap en zij worden gebonden met eeuwige banden van donkerheid, totdat zij op de dag van het oordeel worden verwezen naar de poel van vuur. Wij zien de heerschappij op de schouder van de Meester. Wie onder zijn zacht juk voortgaat, wordt verlost uit de handen van al zijn vijanden. Hier zien wij het evangelie van ware redding, verlossing en bevrijding, dat niet alleen bestaat in woorden, maar in kracht en daden. Immers mogen ook wij doen wat Jezus deed en langs deze weg zal het rijk van de duisternis bezwijken, tot het er niet meer zijn zal. Onder zijn heerschappij zullen het welgevallen en genoegen van God voortgaan en zijn rijk hemel en aarde gaan vervullen.