De oude (water)weg
Het oudste pad gevonden
’Dit zegt de HEER: Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust. Maar zij zeggen: ’Dat doen wij niet.’ (Jer. 6:16).
De aangehaalde tekst heeft het in de ‘zware’ kerken in ons vaderland jarenlang goed gedaan. Ook vandaag de dag zijn er nog tallozen, die deze gevleugelde woorden van Jeremia graag citeren. Daarmee bedoelen ze dan, dat die oude wegen die van de vaderen zijn. Zij zeggen of denken dat Jeremia met de oude wegen bedoelde, de weg die via Dordt en Heidelberg naar Genève loopt. De goede en aloude weg is dan het pad dat de voorgeslachten bewandeld hebben. Men vraagt zich niet af of de voorvaderen zich bekeerd hebben zoals de Heilige Schrift dit aangeeft, maar men neemt klakkeloos aan, dat de voorgeslachten de goede weg genomen hebben.
Wanneer iemand het volwaardige evangelie gelooft, en hiermee bedoelen wij de boodschap die Jezus en de apostelen hebben gebracht, zal de oproep van Jeremia hem aller-minst in verlegenheid brengen. Immers, als het gaat over de ouderdom van het pad, kunnen evangelische christenen concurreren met de gereformeerde gezindte. De laatste bewandelt een weg, die ruim 400 jaren oud is, terwijl de eersten een weg gaan, die bijna 2000 jaren oud is. Als wij aangespoord worden aloude paden te bewandelen, omdat deze rust geven aan de zielen, dan zijn dit niet de paden van Luther, Calvijn of Menno Simonsz, maar die van Jezus Christus, de profeten en apostelen. De voorgeslachten zijn op dwaalwegen geraakt van godsdienstoorlogen, kerkscheuringen, heksenverbrandingen en kettervervolgingen. Wij hoeven niet te raden wat voor geest er in de grote reformatoren Calvijn en Farel huisde, toen Michael Servet als eerste een weerzinwekkende verbrandingsdood stierf in Genève. Calvijn is ook schuldig aan de vreselijke executie van 34 ongelukkige stakkers in het heksenproces van Peney in 1545. Ter ‘ere Gods’ werd een van hen tot de vuurdood veroordeeld, nadat hij negenmaal met op de rug gebonden handen werd opgetrokken aan een wipgalg, die men dan neer liet ploffen, terwijl viermaal het vlees met gloeiende tangen uit zijn lichaam geknepen werd. Dr. N. J. Hommes (gereformeerd) schrijft in ‘Misère en grootheid van Calvijn’ o.a.: ‘Heeft Pfister gelijk, als hij op grond van het heksenproces en Calvijns ingrijpen, concludeert, dat Calvijn zeer wreed was? Bij eerste aandrift zijn wij geneigd de vraag bevestigend te beantwoorden en uit te roepen: wat een monster is deze man geweest!’
Het royale aandeel in de slavenhandel, die de Nederlandse christenen op hun geweten hebben, zal het water van de Niger en de Volta nooit kunnen uitwissen. De grote kerken hebben geweigerd zich tegen deze misdrijven uit te spreken. Het was geheel in overeenstemming met de schaamteloze hardheid die overal teruggevonden werd: in Luthers haat tegen de Joden, Calvijns afkeer van de zogenaamde wederdopers, en in de Roomse inquisitie die haar rol ijverig meespeelde. Wie kennis van de kerkgeschiedenis heeft, zal liever van schaamte wegkruipen dan prat gaan op ‘het ‘erfgoed van de vaderen’. Dit zijn nu de paden, die bewandeld worden door een burgerlijk christendom, dat geen kennis van de historie heeft, noch kennis heeft van het Woord van God. De aloude paden die Jeremia bedoelde, is niet het fundament van de drie formulieren van enigheid, maar het fundament van de apostelen en profeten, waarop ook de muur van het hemelse Jeruzalem rust, de gemeente van Jezus. Als evangelische christenen willen wij teruggaan (of liever voorwaarts) tot op dit Bijbelse fundament. Ook ten aanzien van de doop in de Naam van Jezus Christus. Met deze doop willen wij geen filosofie van mensen navolgen, maar de leer van Jezus en zijn apostelen.
De herkomst van de waterdoop
In de tijd van Alexander de Grote werden veel Joden uit Palestina verdreven. Zij vestigden zich in de omliggende landen. Overal werden ze gevonden: Rome, Griekenland, Egypte en in de steden van Azië. Daar maakten zij propaganda voor hun geloof onder de inheemse heidenen. Wanneer dan een heiden met hen de God van Israël wilde gaan dienen, kon dit onder bepaalde voorwaarden. Deze waren:
1e. Hij moest gedoopt worden;
2e. Hij moest zich laten besnijden;
3e. Hij moest – volgens zeer consequente Joodse kringen – een offer brengen.
De doop moest zonder meer toegepast worden. Dit was een zogenaamde proselietendoop. Deze had tot inhoud, dat er bij de dopeling sprake was van een totale verandering van gezindheid. Hij verliet de weg van zijn vaderen en ging een nieuwe weg. Deze doop wordt door Johannes de Doper gehanteerd om de weg van de Heer te bereiden. Hij riep het volk op tot bekering, dus tot de noodzakelijke verandering ten einde de komende Messias te kunnen ontmoeten en te herkennen. De bekering was de noodzakelijke voorbereiding voor de doop op de Naam van Jezus, die op de doop van Johannes moest volgen (zie Hand. 19:4). De doop op de Naam van Jezus was noodzakelijk voor een leven in de hemelse gewesten. De wandel van de mensen moest van aartsgezind hemelsgezind worden, want het Koninkrijk der hemelen was nabijgekomen.
In Mattheüs 3 lezen we hoe Johannes doopte. De godsdienstige leiders uit Jeruzalem zullen hem ongetwijfeld een ketter gevonden hebben. Het was immers niet nodig dat een kind van Abraham gedoopt moest worden. Wanneer men op de achtste dag besneden werd, was dit voldoende. Het was de opname in het verbond. Zo redeneerden de leiders uit Jeruzalem. Dezelfde argumenten hanteren de kerkelijke leiders van nu. Men gebruikt uitdrukkingen als: geboren op het erf der kerk (wie dit jargon niet kent, moet zich maar niet al te realistische voorstellingen maken). Wij zijn kinderen van Abraham en wij hebben die doop niet nodig, vonden de Farizeeën. Van ons hoeft geen bekering gevraagd te worden. Wij zijn immers verbondskinderen. Johannes de Doper, de (maximaal) 28-jarige excentriekeling met zijn kamelenharen mantel en zijn primitieve voeding, antwoordde echter:
‘Beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen kinderen van Abraham te verwekken’ (Matth. 3:9).
Omdat heel Judéa en Jeruzalem tot Johannes uitliepen, zagen de schriftgeleerden en Farizeeën hun invloedrijke positie bedreigd en veranderden zij van tactiek. Ook zij wilden zich nu laten dopen, maar Johannes weigerde dit en eiste eerst bekering (vers 7). Wij kunnen verwachten wanneer van velen ogen geopend zullen worden en zij de weg gaan van het Woord van God, dat de leidslieden die ook nu zo fel reageren op het volle evangelie, van tactiek zullen veranderen, zoals de Farizeeën in de dagen van Johannes. Johannes doopte de Farizeeën niet. Dit bleek uit de woorden die Jezus tot hen sprak. Hij vroeg hen of de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen was. Ze wilden Hem niet antwoorden. Hun positie werd bedreigd (Matth. 21:27). Johannes weigerde de Farizeeën te dopen en zei:
‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt’.
Door kinderen te dopen wordt deze Bijbelse voorwaarde met voeten getreden. De kinderbesprenging wordt uitgevoerd op grond van het Oudtestamentische(!) argument: ‘Wij zijn kinderen van de vaderen’.
Verwarring en leugens
Het is geen wonder, dat het in de kerken waar de kinderbesprenging gepredikt wordt, een benauwend dode zaak is. Niemand weet ook het rechte ervan. Elke dominee heeft hierover zijn eigen filosofie. Wij kennen een dominee, die kinderen doopt op grond van het geloof van de grootouders. Hier spelen zelfs de ouders geen rol meer. Wanneer de kerken niet teruggaan naar de waarheid van de Schrift, zal de geestelijke janboel er alleen maar toenemen. Men houdt het tot op heden bij leringen van boze geesten. De kinderbesprenging is daarvan een van de grootste. Terecht verzuchtte een theoloog:
‘Wij moeten uit deze donkere en duistere atmosfeer raken, waarin men niet eens recht weet, wat er nu eigenlijk gebeurt. De dopeling weet het niet, de ouders niet, en de gemeente die er bij zit en psalmen zingt, weet het ook niet’.
Dit heb ook ik ervaren. Toen ik met het probleem van de doop zat, kon niemand een verstandig en helder antwoord geven. De kerkleden verwezen mij naar een ouderling; de ouderling verwees me naar de dominee en de dominee verwees me naar een onafzienbare rij boeken, voorop de Institutie van Calvijn. Begin je je eenmaal in te werken in deze boeken, dan wordt de chaos gegarandeerd compleet. Hoe duister, ondoorzichtig en verwarrend de leer over de kinderbesprenging is, blijkt wel uit de Heidelbergse Catechismus. In zondag 26 is het antwoord op vraag 69:
‘Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk gewassen BEN, als ik uitwendig met het water gewassen ben’?
In het antwoord van vraag 74 (zondag 27) staat, dat kinderen ook gedoopt moeten worden,
‘omdat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt’.
Wie het vatten kan, die vatte het! In het eerste antwoord BEN ik door de doop gewassen, in het tweede wordt het mij BELOOFD (toegezegd). De adder onder het gras schuilt wel in het laatste woord. Het woord ‘toegezegd’ betekent ‘beloofd’. De catechismus suggereert, dat het ‘aangezegd’ betekent. Dezelfde dubbelzinnigheid treffen we aan in een artikel van een kerkblad van de hervormde kerk, waarin het volle evangelie wordt aangevallen. Daarin staat:
‘Op wat de kinderen in de doop is toegezegd, wat ze in Christus hebben, wordt dikwijls niet gelet’.
De oppervlakkige lezer zal dit een schoonklinkende volzin vinden. Wat er echter gezegd wordt, is de dwaasheid gekroond. Er wordt bij de besprenging de kinderen BELOOFD (= toegezegd), wat deze HEBBEN. Een belofte wordt toch gedaan voor iets wat je nog niet hebt. De catechismus en zijn navolgers hebben niet zonder meer durven zeggen dat de kinderen alles al in Christus hebben. Daarom verliest men zich in deze kringen in halfvage toespelingen en in een mistig woordgebruik. Feitelijk komt het neer op verkrachting van het Woord van God. Geen wonder dat de stakkers, die bij zulke leringen worden opgevoed, geen greintje Bijbelkennis hebben en vol bewondering opkijken naar hun voorgangers, die ongemerkt zulke breedsprakige onzin kunnen verkondigen.
Begrip, kort begrip en onbegrip
De profeten en apostelen in het oude en nieuwe verbond hebben zich te allen tijde beijverd om het gebrek aan kennis te voorkomen. Bekend is de uitspraak van Hoséa:
‘Mijn volk gaat verloren door gebrek aan kennis’ (4:6).
De belofte van Jesaja is dat de aarde vol zal zijn van kennis van de Heer. Prediker was er op uit om kennis te verkrijgen (7:25). Jezus verweet in zijn dagen op aarde de geestelijke leiders, dat zij het volk de sleutels van het koninkrijk der hemelen ontnomen hadden. Zij konden slechts hun heerserspositie behouden door het volk systematisch dom te houden. Hetzelfde is eeuwenlang door de rooms-katholieke kerk gedaan. Bijbel lezen was verboden. In sommige landen regeert de roomse kerk nog altijd bij de gratie van de onkunde. Hetzelfde vinden we terug in het protestantisme. Vooral de voorgangers, die zo enthousiast zijn over het reformatorisch erfgoed, munten vaak uit in het spreken van een taal, die niemand begrijpt en zijzelf ook niet. De kunst daar is niet zich verstaanbaar te maken, maar juist met veel gezwollen woorden zo te spreken, dat er nog net niets gezegd wordt. In het hiervoor genoemde artikel over het volle evangelie vinden we hetzelfde terug. De domineeschrijver begint ermee de ‘zwakken’ aan te raden, niet met volle evangeliemensen in contact te treden. De zwakken – hij bedoelt mensen die Gods Woord niet kennen – worden door ons overrompeld met teksten. Dit noemt hij ‘op het gemoed werken’. In plaats van een aansporing te geven om zelf de Schriften te onderzoeken ‘of deze dingen ook zo zijn’, worden de arme stakkers vermaand om vooral toch bij de onkunde te blijven. Zij hebben in hun jeugdjaren trouw de vragen en antwoorden van het ‘kort begrip van de christelijke religie’ geleerd, en weten het nu wel. Jezus Zelf heeft naar woorden en beelden gezocht om het Koninkrijk Gods te ‘verklaren’, de apostelen hebben zich in ellenlange brieven uitgeput om de gelovigen enigermate een indruk te geven van de dingen in de geestelijke wereld; dit alles vinden wij, volgens deze dominee, genoegzaam terug in de belijdenisgeschriften.
‘die heeft er voor geleerd…..’
Zoals het velen zal vergaan, is het mij ook vergaan: na vele jaren catechisatie (waarbij de bijbel nooit op tafel kwam) en eindeloze discussies op de jongelingsvereniging – met als hoofdmoot altijd weer de onontwarbare leer van de uitverkiezing – was het resultaat een vage gevoelsmatige indruk van Gods Woord, zonder ook maar enig werkelijk inzicht. Ik gold als een trouw catechisant, die zijn vragen altijd keurig netjes kende. Evenzo kon ik mij met toewijding aan het verenigingsleven geven. Dit leerde mij echter niet God te kennen. Geen wonder dat je in zo’n situatie als ‘zwak’ getekend moet worden. De kracht die je dan rest is: de kerkgaande massa (‘zouden die het dan allemaal verkeerd hebben?’); een blindelings vertrouwen op de wijsheid van de dominee (‘die heeft er voor geleerd’) en een emotionele binding aan die voorgeslachten (‘ik blijf bij wat ik van mijn moeder geleerd heb’). Dezelfde argumenten horen we ook in België, Spanje en Italië. De massa wordt in onkunde ten onder gehouden.
Wij zijn dankbaar dat wij de Heer Jezus kunnen nazeggen:
‘Wij spreken van wat wij weten’ (Joh. 3:11).
Dit is omdat wij uit God geboren zijn, van boven. Daarbij kunnen wij ons te allen tijde op de Woorden van God beroepen. De beschuldiging dat wij teksten uit elkaar rukken en gedeelten van het Woord overslaan, is uit de lucht gegrepen. In het bovengenoemde artikel valt ons echter wel op, dat de bijbel nauwelijks ter sprake komt. Er wordt een uiteenzetting gegeven over het leven door de Geest; de vrucht van de Geest (die hopeloos met de uitingen van de Geest worden verward), over de rechtvaardiging, over de doopformule, kinderbesprenging, de Geest- en de kinderdoop, de overdoop, enz. Een uitgebreid terrein, maar de tekstaanhalingen zijn op één hand te tellen. Het slot zegt de woorden van Jezus:
‘Laat de kinderen tot Mij komen en hou ze niet tegen, want voor hen is het Koninkrijk Gods’ (Mark. 10:14).
Men moet wel goed kunnen manipuleren, om hieruit de kinderbesprenging te rechtvaardigen. Jezus doopte deze kinderen niet. Bovendien ligt de nadruk op ‘hen’, d.i. ‘zodanigen’. Hij doelt op de gezindheid van de kinderen. Als tweede tekst ter verdediging van de kinderdoop is dan het woord uit Matth. 21:16:
‘Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt Gij U lof toebereid’.
Als hierom kinderen gedoopt moeten worden vragen wij ons af wat er met de Tabor en Hermon (Ps. 89:13) en de bomen van het woud (Ps. 96:12) moet gebeuren. Zij immers jubelen ook tot eer van God. Op hun gejuich en hosannageroep werden de kinderen echter niet gedoopt. De Heer omarmde ze en zegende ze. Overigens zijn deze God lovende kinderen volgens het doopformulier ‘der verdoemenis deelachtig’. Zij gaan dus niet verloren, maar zijn als kleine verdoemelingen verloren! Om dit alles maar aan elkaar vast te breien, worden woorden en zinnen gebruikt, die geen mens kan begrijpen en alle helderheid missen. De doop (kinderbesprenging), zo zegt het artikel, moet in verband gebracht worden met al Gods werken. Met schepping en verlossing, verbond en verkiezing, zonde en vernieuwing. Op zichzelf herkennen we al deze woorden uit de Schrift. Helaas, er staat geen tekstaanhaling bij. Nu zijn het alleen volwassenen, die hierover lastige vragen zouden kunnen stellen. Alleen denkende mensen kunnen zich hiervan een beeld vormen. Om toch de kinderbesprenging mogelijk te maken eindigt deze opmerking met de woorden: ‘En dat gaat alle weten en bewustzijn ver te boven’. Dit moet dan inhouden dat je ook onbewust en onwetend hieraan deel kunt hebben. Dit is je reinste ketterij. De bijbel spreekt wel andere dingen. Waar hier de onkunde en het onbegrip hoog geprezen wordt, zegt Paulus in 1 Corinthiërs 2:11-13:
‘Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest van God. Wij nu hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest uit God, zodat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door God geleerd zijn’.
Valse leringen
Het is niet verwonderlijk dat wanneer men de doop in Heilige Geest verwerpt, men ook niet de diepten Gods kan doorgronden. Zij belijden dat de wil van God ondoorgrondelijk is, terwijl de Schrift zegt:
‘Zodat u met de rechte kennis van Zijn wil vervuld mag worden’ (Col. 1:9).
Geestelijk onbegrip staat gelijk met dwaasheid. In Lucas 1:77 profeteert Zacharia reeds van Jezus, dat Hij gekomen is ‘om aan zijn volk te geven kennis van geluk in de vergeving van hun zonden’. De zondenvergeving is de basis, waarop de kennis van het gelukkige gebouwd wordt. In vele kerken is men al tevreden met deze basis en spreekt men over niets anders. Het is hetzelfde als wanneer men bewonderend blijft kijken naar de lanceerinrichting van een maanraket, zonder de raket af te schieten. De lanceerinrichting is dan nutteloos. Voor velen is de zondenvergeving nutteloos, omdat er geen kennis van het gelukkige leven uit voortvloeit. Wee de verantwoordelijke leidslieden, de herders die geen herders zijn, maar die de kudde dom houden! Zij gaan zelfs zo ver in hun afkeer van inzicht en helderheid, dat ze zeggen ‘van verwondering op verwondering’ te gaan over dingen, die ze niet zien. Wie het vatten kan, die vatte het! Het vindt allemaal zijn wortel in de zo hooggeroemde belijdenisgeschriften. Men is misleid door leringen uit voorbij gegleden eeuwen. Het vastgevroren zitten op de basis van de zondevergeving vloeit voort uit de dwaling van zondag 44 der Heidelbergse Catechismus. Er wordt in vraag 115 gezegd, waarom God (?) zo scherpelijk de tien geboden laat prediken. Het antwoord luidt: ‘Eerst, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen’. Er wordt hierbij verwezen naar Romeinen 3:20, waarin staat dat door de wet geen vlees gerechtvaardigd wordt, want wet doet zonde kennen. Ieder weldenkend mens ziet, dat hieruit beslist niet mag worden geconcludeerd, dat wij ons leven lang steeds meer onze zondige aard moeten leren kennen. Het Woord Gods leert anders:
‘Laten wij toetreden met een hart, dat door besprenging (met het bloed van Christus) gezuiverd is van besef van kwaad’. (Hebr. 10:22).
Hier spoort de Hebreeënschrijver aan tot het omgekeerde van wat de Heidelbergse Catechismus leert. Door deze valse leringen komt men tot de belijdenis dat men als kind van God dagelijks de schuld vermeerdert en begint de zondelast steeds zwaarder te drukken. Paulus zegt echter dat wij allen (die in Christus zijn) veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid. (2 Cor. 3:18). De dagelijkse schuldvermeerdering van hen, die in Christus zijn, is een lering van de duivel. Zij moet het volk Gods onderdrukken met angst- en schuldcomplexen. Zij is tevens een verloochening van de Naam van Jezus Christus, want van Hem zegt de engel dat Hij zijn volk verlossen zal van hun zonden (Matth. 1:21).
Het verbond
Een van de meest gehanteerde argumenten voor de verdediging van de kinderdoop is de verbondsgedachte. Het formulier van de doop in de gereformeerde kerken wijst hierbij op twee teksten: Genesis 17:7:
‘Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u’;
en voorts Handelingen 2:39:
‘Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Here onze God toe roepen zal’.
Deze laatste tekst heeft de twee woorden doop en belofte aan elkaar gekoppeld, waardoor zo’n verbijsterende misvatting is ontstaan. De doop is namelijk geen belofte, maar een getuigenis. Handelingen 2:39 is door het doopformulier totaal uit het verband gerukt. Het gaat immers over de belofte van de Heilige Geest! Deze tekst heeft dus niets met de kinderdoop uit te staan. Doop en belofte horen niet bij elkaar. Wel roeping en belofte. En dat staat in deze tekst. De belofte van de Geest geldt voor geroepenen, en treedt in werking, wordt verwezenlijkt, wanneer op deze roeping Gods wordt geantwoord met geloof (Gal. 3:14). Zonder geloof is er geen sprake van ontvangen van de Geest. Kleine kinderen kunnen nog niet geloven.
En nu de belofte aan Abraham. Paulus legt er in Galaten 3:16 de nadruk op dat de belofte aan Abraham ook voor zijn zaad gold, niet in het meervoud: zaden, maar in het enkelvoud: zaad. Dit wil zeggen: Christus. De belofte was dus niet voor alle natuurlijke kinderen van Abraham, maar voor zijn geestelijk nageslacht. Het geestelijke nageslacht zijn de gelovigen, want hij is de vader van de gelovigen (Rom. 4:11 en 12). Jezus was de eerste van Abrahams nageslacht. Wie in Jezus gelooft, die doet de werken van Abraham, want Abraham geloofde ook. Daarom zegt Galaten 3:29:
‘Wanneer u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen’.
Om zaad van Abraham te zijn moet men ‘in Christus’ zijn, dus geloven! Het verbond met Abraham Zijn kind, bevestigd Hij van (geestelijk!) kind tot (geestelijk!) kind. Dit is het nieuwe verbond. Het oude verbond was naar de letter. Daar rekende men met de natuurlijke nakomelingen. Dit verbond heeft afgedaan.
‘Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard.’ (Hebr. 8:13).
Het doopformulier zegt van de tekst uit Genesis 17, dat God tot Abraham spreekt, de vader van alle gelovigen, en daarom ook tot ons – en dan voegt het er vrolijk aan toe – en onze kinderen. Hier wordt het nieuwe verbond weer in het oude teruggeprojecteerd. In wezen wordt hierdoor de noodzaak van bekering en wedergeboorte vernietigd. Sommigen dwalen dan verder en zeggen dat de doop reeds bekering en wedergeboorte inhoudt. Men valt van de ene leugen in de andere. De dwalingen van dit formulier hebben tot kerkscheuringen geleid en doen dit nog steeds. Onze baby’s zijn niet automatisch wedergeboren en in het verbond opgenomen. Men wordt door het geloof in het verbond opgenomen, en het geloof is door het gepredikte woord (Rom. 10:14,17). Baby’s kunnen niet geloven, omdat ze het woord niet kunnen horen. Het nieuwe verbond, zegt de Heer is een verbond in Zijn bloed. Slechts wanneer men deel heeft aan het bloed van Christus, dat is aan Zijn leven, dan is men in het verbond opgenomen. Je krijgt deel aan het leven van Jezus door geloof. De doop is de bede van een goed geweten tot God, zegt 1 Petrus 3:21. Een baby weet hier niets van.
De besnijdenis van Christus
Men gelooft dat de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is. Ook weer door het formulier. Paulus zegt heel duidelijk, dat Abraham besneden is, nadat hij geloofde. Hij ontving het teken van de besnijdenis als zegel van de gerechtigheid van het geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Aannemende, dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen, zou deze toch nog moeten worden toegepast nadat men tot geloof gekomen is (Rom. 4:11). Maar de doop is niet in plaats van de besnijdenis gekomen. Dit leert de Schrift nergens. In het oude verbond was de zichtbare besnijdenis het teken van het verbond. In het nieuwe testament is de onzichtbare besnijdenis het teken van het Verbond. Dit onzichtbare teken is niet met mensenhanden aangebracht, maar door God. Het is de besnijdenis (= vernieuwing) van het hart. Het hart is het innerlijke van de mens, zijn geest. Het teken van het nieuwe verbond is de vernieuwing van de geest! Dáárom staat er in Colossenzen 2:11 en 12:
‘In Hem bent u ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus, daar u met Hem begraven bent in de doop’.
De doop is wel een werk van mensenhanden, het is namelijk het ‘getuigenis van wat God gedaan heeft. In Hem bent u ook mee-opgewekt door het geloof aan de werking van God, die Jezus uit de doden heeft opgewekt.
Overal en altijd is geloof het scharnier waar alles om draait. De reformatorische kerken zijn door een andere deur naar binnen gegaan en men zit met de brokstukken. Daar wordt niet naar geloof gevraagd, maar zonder bekering en zonder geloof wordt men daar in het verbond opgenomen. Men is daar teruggekeerd naar het oude verbond, dat door Paulus de bediening van de dood genoemd wordt (2 Cor. 3:7). Het oude verbond ging tot Johannes. Daarna heeft het afgedaan, want het is tot volheid gekomen in Christus. Jezus Christus is het eind(doel) van de wet. (Rom. 10:4). De wet was gegeven met het oog op het nieuwe verbond. In de historische kerken worden deze twee verbonden finaal door elkaar gegooid. Men heeft geen onderscheid. U zult misschien toegeven dat er maar één Bijbelse doop is, de geloofsdoop door onderdompeling. Sommigen laten zich echter niet dopen, omdat ze als kind ‘gedoopt’ zijn en God hun harten toch kent. Maar God vraagt gehoorzaamheid. Laat uw doop getuigen van uw geloof en gehoorzaamheid aan God. De kinderbesprenging is geen getuigenis van uw geloof. In het gunstigste geval van het geloof van uw ouders.
‘Sta op, laat u dopen!’ (Hand. 22:16).