De betekenis van de doop
‘Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’ (Matth. 3:2)
Wanneer de dageraad van het nieuwe verbond aanbreekt, klinkt in de dorpen en steden van het Palestijnse land de oproep van Johannes de Doper: ‘Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’ (Matth. 3:2). Bij zijn bekering neemt de mens de toevlucht tot God om van Hem vergeving van zonden en het leven te ontvangen. Johannes de Doper kende geen andere weg. Daarom kon hij zeggen:
‘Opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen met water’.
Tot allen die tot zijn doop kwamen, zei hij:
‘Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh. 1:31 en 29).
De doop van Johannes rustte op bekering en had tot doel de afwassing van zonden. Wanneer de zondaar met het kwaad brak en zich tot God wendde, werd zijn schuld vergeven. Zijn doop ging dan ook gepaard met belijdenis van zonden.
‘Om de ongehoorzamen te keren tot de gezindheid van de rechtvaardigen’ (Lucas 1:17).
Johannes wees op vergeving van schuld naar nieuw-testamentisch model, zonder offers, heen wijzend naar het Lam Gods en op grond van de ‘innerlijke barmhartigheid van onze God’ (Lucas 1:78). Zijn doop betekende dan ook een breuk met het verleden. In zijn prediking was geen plaats voor de wetsbetrachting van het oude verbond. Hij trok daarmee de pijlers, waarop de oude bedeling rustte, weg. Het Koninkrijk der hemelen was nabij gekomen.
De doop in water is als zichtbare handeling, het getuigenis en de uitbeelding van een onzichtbaar (gebeuren) in de geestelijke wereld. Het Koninkrijk Gods is onzienlijk. Langs de vleselijke en natuurlijke weg kan men er onmogelijk in komen. Door de doop gaat de mens niet in, maar door zich te laten dopen bewijst hij zijn geloof in de onzienlijke weg, waardoor hij het Koninkrijk Gods is ingegaan. Van de komst van het Koninkrijk van God hoorden ook de Farizeeën en Sadduceeën, toen zij Johannes kwamen verzoeken hen te dopen. Deze leidslieden waren echter niet ‘van boven’ geroepen. Zij bezaten hun positie en aanstelling in de religieuze wereld, steunend op geslacht en partijgroepering. Johannes werd door hun komst echter niet geïmponeerd. Hij wees hen af, want hij bezat de gave van de onderscheiding van geesten. Hij onderkende Jezus als het Lam van God, maar deze leidslieden trok hij het vrome masker af.
‘Addergebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?’ (Lucas 3:7).
Hoewel ze uiterlijk erg vroom waren, hadden ze in wezen de duivel tot vader! Hiermee trof Johannes de Doper deze leidslieden in hun kerkelijk besef.
‘Beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen kinderen van Abraham te verwekken’ (Matth. 3:9).
De Farizeeën en Sadduceeën meenden om de doop te kunnen vragen op grond van hun afkomst en hun status in het religieuze leven. Zij beschouwden zich immers als Gods volk en een nieuwe toerusting voor bekering en belijdenis van zonden achtten zij overbodig. Maar zelfs de doop van Johannes, hoewel nog niet de volledige doop van het nieuwe verbond, moest worden voorafgegaan door persoonlijke bekering onder belijdenis van zonden en het ontvangen van schuldvergeving.
Alle gerechtigheid vervullen
Het is ook goed aandacht te schenken aan de doop van Jezus door Johannes in het water van de Jordaan. Het was de eerste stap van de Meester in zijn openbare bediening. Met welk een glorie sanctioneerde de Vader de doop van zijn Zoon! De Geest van God daalde op Hem als een duif. Zijn doop werd door een goddelijke bevestiging boven de normale gebeurtenissen uitgetild, toen de Vader sprak:
‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’ (Matth. 3:17).
Jezus’ doop zag vooruit op de weg die Hij gaan moest om alle gerechtigheid te vervullen, dat is zijn sterven om onze zondeschuld te betalen, en zijn opstanding, opdat wij door zijn kracht als rechtvaardigen zouden kunnen leven (Rom. 4:25). In de verheven doop van Jezus Christus in de wateren van de Jordaan zou voortaan iedere gelovige zijn voorbeeld vinden. Ook wij moeten de weg van sterven en opstanding met Hem gaan. De doop van Johannes sprak over zonden belijden en schuldvergiffenis. De doop van Jezus reikte verder en dieper. Jezus werd gedoopt ‘om alle gerechtigheid te vervullen’. Hij bracht de doop in verband met de gerechtigheid of de rechtvaardigheid van het geloof.
Nieuw Leven
Bij de doop wordt dus bewust het nieuwe leven aanvaard. De dopeling wordt met Christus gedoopt. Hij is ook met Christus opgestaan en hij is erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Jezus Christus geworden.
‘Laten we God dan naderen met een op-recht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen.‘ (Hebr. 10:22).
Wanneer hij opstaat uit het watergraf, belijdt hij niet het zondaar-zijn-tot-de-dood, maar zijn rechtvaardigheid in gemeenschap met Jezus Christus. Vanuit dit levensbeginsel kan hij de zonde overwinnen. Het kind van God zegeviert niet door de belijdenis van zijn slechtheid, maar door te aanvaarden dat hij ‘samengegroeid is met hetgeen gelijk is aan zijn dood’ en bij zijn verrijzen uit het watergraf dat hij ‘samengegroeid is met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding.’ (Rom. 6:5). Wie gelooft, aanvaardt dat ‘alle gerechtigheid’ in hem of haar tot stand kan komen en op dit geloof laat hij zich dopen.
Het watergraf
Johannes dompelde Jezus onder in het water van de Jordaan, want er staat:
‘Direct nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water’ (Matth. 3:16).
Wanneer Jezus zegt
‘Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen’,
bedoelt Hij dat dit de wijze is waarop gedoopt moet worden. Hij werd in water gedoopt en na zijn doop steeg Hij op uit het water. In heldere en precieze woorden beschrijven ons deze verzen wat het woordje dopen betekent. Een christelijke doop moet gebaseerd zijn op wat de bijbel leert. Deze kent de doop door onderdompeling. Jezus rees op uit het (water)graf als eersteling van de nieuwe schepping en als eerste van vele broeders. Wilt u ook ‘aldus’ gedoopt worden? Wilt u de voetsporen van Jezus drukken? Wie slechts met een enkele druppel water besprenkeld werd, is niet gedoopt als Jezus.
Fundamenteel Onderricht
Op zijn derde zendingsreis ontmoet Paulus in de havenstad Eféze een twaalftal leerlingen van Johannes (Handelingen 19:1-7). Hij stelt deze mannen de vraag:
‘Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen, toen jullie tot het geloof kwamen?’
Deze leerlingen erkennen eerlijk dat zij deze ervaring missen en dat zij bovendien in onwetendheid leven aangaande het feit, dat de Heilige Geest zou bestaan of zijn uitgestort:
‘Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is’.
Ogenblikkelijk komt de apostel met de vraag:
‘Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes’.
De doop in water moet immers altijd volgen op fundamenteel onderricht. Er staat: ‘Onderwijst alle volken, dezelfde dopende’ (Matth. 28:19 St. Vert.). Paulus antwoordt dan ook:
‘Johannes doopte een doop van bekering en zei tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die ná hem kwam, dat is in Jezus’.
De doop van Johannes berustte op bekering en had de afwassing van de zonden als doel. Wanneer de zondaar met het kwaad brak en zich tot God wendde, was zijn schuld vergeven. Zijn doop ging gepaard met belijdenis van zonden om ‘de ongehoorzamen te keren tot de gezindheid van de rechtvaardigen ten einde de Heer een wél toegerust volk te bereiden’ (Lucas 1:17).
Herdoop
Maar de doop van Johannes voldoet de apostel Paulus niet meer. Hij moet plaats maken voor die welke Jezus zelf instelde en die in zijn naam werd bediend. Paulus kent voor zijn tijd de volle raad Gods. Bij het nieuwe licht weigert hij daarom de doop van Johannes nog langer te sanctioneren. Deze is verouderd en door de feiten achterhaald, en
‘wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’ (Hebr. 8:13).
Opnieuw worden deze leerlingen ondergedompeld. Voor de tweede maal in hun leven sluit het water zich boven hen. Voor hen hoorde de doop van Johannes voortaan bij een voorbijgegane periode. De twaalf mannen aanvaarden de nieuwe tijd met een daad van gehoorzaamheid en God bevestigt deze wederdoop met een uitstorting van zijn Geest op dit twaalftal, zodat allen in nieuwe tongen beginnen te spreken en de gave van de profetie ontvangen. De doop van Johannes sloot het oude verbond af en vormde het hoogtepunt, maar in zijn doop bleef hij de wegbereider naar het nieuwe verbond. De doop van Johannes hoort bij de oude bedeling; daarom bij het voorbijgaande en tot wat verdwijnen zou.
De Bijbelse doop
De christelijke doop is rijker dan die van Johannes. Daarom werd de apostel Paulus zonder aarzeling wederdoper. Ook in onze tijd wordt nog wel over de wederdoop gesproken. Men bedoelt daarmee dat iemand, die als baby besprengd werd, de Bijbelse doop door onderdompeling ondergaat. Wanneer wij vergelijken, is de afstand tussen de doop van Johannes en de doop van Jezus veel kleiner dan het verschil tussen de kinderbesprenging en de doop van het nieuwe verbond. De doop van Johannes had inhoud, maar wat voor innerlijke betekenis kan de besprenging voor de kleine dopeling hebben? Bij de kinderbesprenging mist men de voorwaarde en de verzinnebeelde waarheden van de Bijbelse doop. Er is geen sprake van bekering, van schuldvergeving, noch van wedergeboorte, noch van een oude en een nieuwe mens; dus van zijn begrafenis en opstanding. Daarmee is zij nog minder dan de doop van Johannes. De kinderbesprenging grijpt terug naar de oudtestamentische besnijdenis, waar men alleen kinderen krachtens hun natuurlijke afstamming besneed. Paulus doopte mensen opnieuw, die de doop van Johannes ontvangen hadden, een doop die door God ingesteld was en die een duidelijke betekenis had. Hoeveel te meer zullen wij in onze tijd opnieuw dopen degenen, die als baby besprenkeld werden, een handeling waarover in de bijbel niet gesproken wordt en waarvan de betekenis in geen enkel opzicht met de Bijbelse doop correspondeert.