Doopbevel en -formule
Hoewel de groeiende evangelische gemeenten steeds meer (en terecht) hun eigen doopdiensten houden, gaat het onderdompelen van gelovigen uit de kerken onverminderd voort. Met de Bijbelse doop mag niet gemarchandeerd worden, omdat het een pijler is in het ware Fundament (Hebr. 6:1,2). Jezus begon zijn bediening met een doop en eindigde haar hier op aarde met een doopopdracht. Bij zijn afscheid beval Hij zijn leerlingen:
‘Ga dan heen, maakt al de volken tot mijn leerlingen en doop hen in de naam van Jezus Christus en leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.’ (Matth. 28:19).
’Gaat dan heen in de hele wereld, verkondig het evangelie aan de hele schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.’ (Marc.16:16).
Wat zijn leerlingen?
Het bevel van Jezus om het evangelie te prediken geldt voor het hele volk van God en voor alle tijden, want er staat, dat dit gebeuren moet tot de aan de ‘uithoeken van de aarde’. Het evangelie verkondigen betekent: het werk van Jezus en de beloften van God bekend maken. De mens moet immers iets hebben om in te geloven. Geloven is nooit vaag, maar concreet. Geloven is een werking van de geest, maar deze moet in de geestelijke wereld iets reëels hebben om zich aan vast te hechten: een woord, een belofte, een uitspraak, een vermaning, een waarschuwing of iets dergelijks. Wanneer God niet gesproken had, zou de mens niet in Hem kunnen geloven. Wanneer het Woord van God gepredikt wordt, kan iemand het geloof aanvaarden of het verwerpen.
‘Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.’ (Rom. 10:17)
Door de prediking ontvangt de mens iets, waaraan hij zich kan vasthouden en zo wordt zijn geloof gericht op God en zijn Zoon. Het ware geloven heeft tot resultaat dat men Jezus aanneemt en zijn verzoenend lijden zich toe-eigent, want Hij is het Woord van God. In zijn woord blijven, betekent volhardend en standvastig er in geloven, hoe de omstandigheden ook zijn. Men belijdt dan: ‘Wat de Heer gesproken heeft, is waar en komt toch uit.’ Door het geloof in de woorden van God wordt men een volgeling van Jezus Christus. Leerlingen zijn zij, die de voetstappen van de Meester drukken en die in gemeenschap met hun Heer leven. Jezus sprak over ‘mijn’ leerlingen, dat wil zeggen navolgers van Hem. Zo schreef Paulus:
‘Word mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg.’ (1 Cor. 11: 1)
Men wordt niet automatisch of mechanisch een leerling, maar alleen langs de weg van het geloof. Men wordt het ook niet door veronderstelde wedergeboorte of door een uiterlijke doophandeling, maar omdat men met zijn hart het evangelie aanvaardt. Een kind heeft wel het vermogen in zich om te geloven, maar dit richt zich bij het ontwikkelen eerst op het natuurlijke leven (waarnaar het zich voor het grootste gedeelte moet oriënteren door geloof) en pas later op het geestelijke.
‘Maar het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke’ (1 Cor. 15:46).
Het geloof dat op God gericht is, wordt gevolgd door de weder-geboorte. Door het geloof is de gemeenschap met God tot stand gekomen en de wedergeboorte is Gods antwoord. Wanneer iemand zich tot God keert door Jezus Christus aan te nemen, ontvangt hij macht een kind van God te worden (Joh. 1:12). Het begin van ons leven is natuurlijk; de wedergeboorte is het begin van de geestelijke mens.
De juiste volgorde en de juiste wijze
‘Maak al de volken tot mijn leerlingen en doop hen in de naam van Jezus Christus.’ Het eerste bevel van Jezus aan pas bekeerden is, dat dezen zich moeten laten dopen, in het geloof dat Gods beloften aan hen vervuld zijn. Tussen bekering en doop ligt van de mens zijn kant geen enkele andere verplichting dan geloof. Men hoeft met dopen dus niet te wachten tot men op de weg van de heiligmaking gevorderd is. De dopeling moet gehoorzamen in het geloof dat de Heer zijn werk aan hem gedaan heeft. Volgens het bevel van Jezus volgt de doop dus op de bekering, want het maken van leerlingen sluit dit in. Het feit dat men gelovige ouders heeft, maakt deze eis niet ongeldig. Wij moeten allen bewust tot bekering komen en daardoor leerlingen van Jezus worden. Dan volgt onmiddellijk de doop. Wie de bijbelse orde loslaat, verzwakt ook de noodzakelijkheid van de bekering.
Het is trouwens opmerkelijk hoe weinig onder de christenen, die de kinderbesprenging voorstaan, opgewekt wordt tot het nemen van een beslissing. Overal in de bijbel gaat de bekering aan de doop vooraf. Deze handeling volgt er onmiddellijk op. Op de Pinksterdag kwamen drieduizend zielen tot het geloof en diezelfde dag lieten zij zich dopen (Hand. 2:41). Van de Samaritanen wordt gezegd:
‘Toen zij Filippus geloofden, die het evangelie van het Koninkrijk van God en van de naam van Jezus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen.’ (Hand. 8:12).
De kamerling kreeg onderricht en terwijl zij nog onderweg waren, sprak hij: ‘Kijk, daar is water; wat is er tegen, dat ik gedoopt wordt? En Philippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei:
‘Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.’ (Hand. 8:36,37).
De gevangenbewaarder in Philippi nam Jezus als zijn persoonlijke redder aan. Hij begreep dat er toen maar één ding restte. Hij liet zich onmiddellijk dezelfde nacht dopen. (Hand. 16:33).
Vertrouwen
Paulus had, denkende aan zijn misdaden tegenover het volk van God, er moeite mee zich terstond na zijn bekering te laten dopen. Maar Ananias sprak:
‘En nu, wat aarzelt u nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn naam.’ (Hand. 22:16).
Een van de belangrijkste stappen van de mens in het natuurlijke leven is zijn huwelijk. Zoals een huwelijk volgt op de kennismaking en verloving, zo ook de doop na de bekering en wedergeboorte. Tijdens de verloving leert men elkander kennen en vertrouwen. Bij het huwelijk wordt de beslissing, die men in de stilte van het hart genomen heeft, voor alle mensen openbaar. Men breekt met het vrijgezellenbestaan en begint een nieuw leven. Zo ook wordt in de doop het oude leven begraven en men staat met Christus op tot een nieuw leven. Men weet dat men de stap gedaan heeft voor altijd. Men hoort voor immer Jezus toe en komt daar niet meer op terug. Een kinderdoop kan zo iets niet uitbeelden. Wij accepteren deze dan ook niet, evenmin als wij een kinderhuwelijk van enige waarde achten.
Doopbevel
Er is dus eerst leerlingenschap en daarna volgt de doop. Wanneer de Hebreeën-schrijver het fundament van de christelijke leer beschrijft, wijkt hij niet van deze volgorde af. Bekering van dode werken en geloof in God worden gevolgd door de leer van het dopen (Hebr. 6:1). Het doopbevel van Jezus is zeer belangrijk. Het kan moeilijk plechtiger en ernstiger uitgedrukt worden. Daarom heeft niemand het recht deze volgorde te wijzigen of de manier waarop de doop toegediend wordt te veranderen, noch er ongehoorzaam aan voorbij te gaan. Bij de kinderbesprenging draait men de goddelijke volgorde om. Men ‘doopt’ eerst en daarna hóópt men op een leerlingschap. Jezus gaf het bevel om nieuwe leerlingen in water onder te dompelen. Bij besprenging met water in plaats van dopen in water, gaat de betekenis van de doop verloren. Er is dan geen opstanding uit het water(graf) en geen deelhebben aan het met Christus opgestaan zijn in een nieuw leven.
Bij de volwassen onderdompeling echter, getuigt de leerling voor God, Jezus Christus, de engelen én mensen, dat God hem als kind heeft aangenomen en een nieuw leven in hem heeft verwekt. Hij geeft immers gehoor aan de uitnodiging: ‘Een ieder van u laat zich dopen’, zoals hij ook gehoor gaf aan de roepstem van de levende God:
‘De goddeloze verlaat zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekeert zich tot de Heer, dan zal Hij Zich over hem ontfermen.’