Is ‘overdopen’ zonde?
In een Kerkbode schrijft een dominee dat men is opgeschrikt doordat in Nederland jongeren zich hebben laten ‘overdopen’:
‘In discussies met deze mensen wordt veelal een beroep gedaan op de Heilige Geest. Vaak gaat het dan in het gesprek niet meer over wat de bijbel zegt, maar wordt simpelweg gesteld: God wil het, men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen. Men heeft weinig Geest in de kerk kunnen ervaren, elders (in bepaalde kringen) veel meer, men acht het kerkelijke van minder belang en zonder dat men in eigen kerk ergens van weet laat men zich in stilte overdopen.
Ik zou hier willen spreken van een uiterst bedroevende situatie. Letterlijk: dit bedroeft mij en velen met mij. Ik kan me nog voorstellen dat iemand ernstig speelt met de gedachte en overtuiging zich te moeten laten overdopen. Maar is het werkelijk naar Gods wil en naar de Geest dat men daarbij zo vlot over de kerk én over eigen reeds gedoopt zijn en mogelijk zelfs reeds belijdenis gedaan hebben heenstapt? Is een tekst als ‘men moet God meer gehoorzaam zijn dan de mensen’ hierop toe te passen? Heeft de kerk dan immer in een uitdrukkelijke ongehoorzaamheid tegen God gehandeld bij de handhaving van de kinderdoop?
Als de bijbel spreekt van het God meer gehoorzaam zijn dan de mensen dan gaat het om mensen die van God of gebod niets willen weten. Van de kerk zegt dezelfde Schrift evenwel dat zij het lichaam van Christus is. Nu zal ik de laatste zijn om de zonden van de kerk te ontkennen. Maar als men het kwade (ook binnen de kerk) wil overwinnen dan zal dat niet met een ander kwaad moeten gebeuren’.
Gevolgen
Wij kunnen volledig begrip opbrengen voor de ernstige bedenking die deze predikant heeft tegen het al te gemakkelijk negeren van eigen ‘doop’ en belijdenis. Wanneer ‘overdopers’ een dergelijke gezindheid aan de dag leggen, handelen zij verkeerd. Nog erger wordt het wanneer zij zelfs hun kerkenraad onkundig laten van hun voornemen zich op Bijbelse wijze te laten dopen. Zulke dopelingen geven er blijk van dat zij niet ten volle de betekenis van de doop begrepen hebben. Allereerst is de doop ‘IN’ water, een getuigenis tegenover de buitenwereld. Men getuigt hiermee voor God de Vader, de engelen én mensen dat men met Jezus Christus gestorven is en mét Hem tot een nieuw leven is opgestaan uit het (water)graf. Dit in flagrante tegenstelling met de ‘doop’ die men als zuigeling onbewust heeft ondergaan. Toen immers ging het initiatief volledig van de ouders uit; de persoon in kwestie kon er niets aan af- of toedoen. Men werd gedoopt (besprengd) in plaats van dat men zich ‘liet’ dopen.
Maar de soms felle weerstand die deze mededeling aan de kerkenraad oproept, mag men echt niet onderschatten. Veel ‘overdopers’ worden uit hun familie verbannen, verliezen hun werk en zijn in de veelal dorpse gemeenschappen geworden tot uitgespuugde paria’s. Wanneer zij nog in de middeleeuwen hadden geleefd waren zij op de brandstapels geëindigd! Wij staan dus maar ten dele achter de bezwaren van deze predikant.
Zijn verder betoog aangaande deze kwestie wijzen wij echter resoluut van de hand. We willen dat hier graag nader motiveren. Allereerst dan de uitdrukking overdopen. Dat betekent: voor de tweede keer dopen. En dat is een verdraaiing van de feiten, want bedoelde personen waren nog nooit eerder gedoopt. Het gaat hier over jonge mensen die destijds in hun kerk met enkele druppels water besprengd werden. Het kerkelijk formulier zegt dan dat zij daardoor mede opgenomen zijn in het verbond dat God met Abraham heeft gemaakt. Aan dit ritueel wordt een Bijbels aandoende tint gegeven door te verklaren dat het hier een symbolische handeling betreft die in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Waar je de bijbel er ook op napluist, een dergelijke gedachte zul je er vergeefs in zoeken. Bovendien, als dit waar zou zijn, zou de kinderdoop alleen maar aan jongens bediend mogen worden, aangezien in het oude verbond alleen aan hen de besnijdenis verricht werd. Men begaat hier twee kardinale fouten. Ten eerste verandert men een Bijbels sacrament, dat voor het oude bondsvolk gold, en ten tweede breidt men het eigenmachtig uit tot degenen die door God niet werden aangewezen. Men besprengt in plaats van dat men besnijdt en men betrekt de meisjes erbij, terwijl God dit nooit bevolen heeft. De tegenwerping die men te horen krijgt, wanneer men hiertegen protesteert, is dat de besnijdenis slechts gold voor het oude verbond. Sinds Christus is het nieuwe verbond gekomen en dat geldt voor allen die tot het verbond behoren. Sommigen gaan nog een stapje verder en wijzen erop dat het nieuwe verbond betere beloften met zich meebrengt dan het oude. Inderdaad, volkomen juist. Maar dan ook doorgaan met deze redenering, niet halverwege afhaken en de zaak gaan vermengen. Want dat is het eigenlijk wat met die kinderdoop gedaan wordt.
Verdraaiing van de Schriften
De kerken hebben met hun leer van de kinderbesprenging een brug geslagen tussen oud en nieuw verbond. Terwijl Gods Woord duidelijk leert dat het oude verbond is vervangen door het nieuwe, betere verbond, in Jezus Christus. Het is verouderd verklaard.
‘En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’ (Hebr. 8:13).
Láát het dan ook verdwijnen en maak er geen mengelmoes van, waardoor velen het spoor bijster raken. Vanwege de geciteerde hartenkreet van deze dominee willen wij toch een reactie plaatsen bij zijn laatste opmerking, die luidt: ‘Maar als men het kwade (ook binnen de kerk) wil overwinnen dan zal dat niet met een ander kwaad moeten gebeuren’.
Dit vinden wij uitermate grof gezegd! Wie zich laat ‘overdopen’ begaat dus een kwaad!, zondigt dus eigenlijk! Deze dominee bedoelt: als iemand zondigt tegen de leer van de kerk. Maar laat hij dat dan ook duidelijk zeggen. Nu suggereert hij dat die jongelui, en ook wij die Jezus in de waterdoop gevolgd zijn, kwaad bedreven hebben. – Je moet maar lef hebben! Wanneer in bedoeld artikeltje de vraag gesteld wordt ‘of de kerk dan immer in een uitdrukkelijke ongehoorzaamheid tegen God gehandeld heeft bij de handhaving van de kinderdoop’ antwoorden wij: JA, de kerk is alle eeuwen door voor het grootste deel ongehoorzaam geweest, ook op dit gebied. En wij steken de hand in eigen boezem, ook wij persoonlijk hebben jarenlang gerebelleerd tegen Gods wil met betrekking tot de doop. Totdat de heilige Geest het ons duidelijk toonde dat ook wij ons eens en voor altijd ‘IN’ water moesten laten dopen. Uit eigen vrije keuze, als een belijdenis van onze persoonlijke bekering, van ons geloof in Jezus Christus, van onze persoonlijke beslissing om Hem volledig te volgen. Dit kan dus een besprenging van een zuigeling nooit en te nimmer uitbeelden. God heeft dan ook nooit bedoeld dat onwetende kindertjes ‘ten doop gehouden’ zouden worden. Dit wil niet zeggen dat wij onze kleine kinderen onttrekken aan de dienst van de Heer, integendeel. Hoewel zij, als kinderen van nieuwtestamentische ouders, niet besneden, noch besprengd worden, stellen wij hen als zuigeling wel aan de Heer voor, zoals ook de oude Simeon eenmaal het kind Jezus in zijn armen nam en het de Vader voorstelde. Onze kinderen worden opgedragen aan de Heer, thuis en in de gemeentelijke samenkomst. Ook dat is geen dogma, maar er ligt een voor de hand liggende gedachte aan ten grondslag. Kinderen van gelovige ouders zijn in hen heilig (1 Cor. 7:15), wat niet wil zeggen dat zij ‘in het verbond zijn opgenomen’, zoals de kerk dat beweert. Zolang zij zelf geen beslissing kunnen nemen ziet de Heer het geloof van de ouders aan, die bovendien voor hun kinderen in de geestelijke wereld op de bres staan. Zij heiligen hen dagelijks, dat wil zeggen zij zonderen hen af van de duivel. Zodra de jaren van onderscheiding gekomen zijn, dient het kind echter zelf zijn keus te bepalen. Dan zal hij, net als zijn ouders, zich moeten bekeren tot God, en Jezus als zijn persoonlijke Zaligmaker aanvaarden.
Beschuldiging
De jongelui waar het hier over ging, zullen ongetwijfeld deze stap gedaan hebben. Deze ‘rebellen (?)’ hebben zich buiten hun kerk georiënteerd op de wil van God en hebben de noodzaak ingezien van de Bijbelse doop. Zij wilden gehoorzaam zijn en lieten zich dopen. Omdat God het wil. Volkomen terecht zeggen zij dat zij God meer willen gehoorzamen dan (de leer van) mensen. Dat komt hard aan voor de kerk, begrijpelijk. En nogmaals: wanneer sommigen van hen dit zonder overleg met hun kerkenraad hebben gedaan, hebben zij op dit punt foutief gehandeld. Maar die doop zelf is door en door Bijbels. Het is dan ook een belediging voor de Heer, hier smalend te spreken over ‘overdopen’ en het als een kwaad af te schilderen. Want verder zegt deze dominee: ‘Als de bijbel spreekt van het Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen dan gaat het om mensen die van God of gebod niets willen weten. Van de kerk zegt dezelfde Schrift evenwel dat zij het lichaam van Christus is’.
Alweer een uitspraak die aanvechtbaar is. De noodzakelijkheid van het God meer gehoorzaam zijn dan mensen geldt heus niet alleen de volslagen heidenen. Ook een christen wordt van tijd tot tijd voor de keus gesteld: wil ik ook in dit facet van mijn leven de Heer onvoorwaardelijk dienen? Deze predikant zegt: ‘de kerk is het lichaam van Christus’ en suggereert in dit verband dat wij de kerk moeten gehoorzamen. Terwijl Gods Woord leert dat de kerk haar Héér gehoorzaam moet zijn!
In hoofdstuk 2 en 3 van Openbaring lezen wij hoe de kerk wordt opgeroepen om terug te keren tot haar eerste liefde, trouw te zijn, de waarheid vast te houden, op te staan uit de geestelijke dood, het woord Gods te bewaren, zich geestelijk te kleden en ogenzalf te kopen, opdat zij de eindoverwinning behaalt. De kerk van Jezus Christus, zijn gemeente, staat volop in de branding. De satan, Gods grote tegenstander, valt met grote grimmigheid op haar aan. Vooral met valse leringen, die het doel van God met de mens willen verdonkeremanen. Verder spreekt het boek Openbaring over een schijnkerk, over Babylon. De valse kerk, die ondergaat. Wanneer men zich erop beroemt deel uit te maken van ‘de kerk’ dient men zich in alle ernst af te vragen of dit dan wel echt de ware kerk van Jezus Christus is.
‘Wat noemt u mij Heer maar doe niet wat Ik zeg?’,
vroeg Jezus reeds aan de theologen van zijn tijd. Ook zij meenden leiders te zijn van de ware kerk. Ze hadden het mis, en niet zo’n beetje ook. Ook van hen kon gezegd worden:
‘U zegt: ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet, dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent. . .’ (Openb. 3:17).
Voor veel kerkformaties van onze dagen geldt hetzelfde; nog erger wordt het wanneer men daar de mensen die deze armoe ontvluchten en de Heer willen gehoorzamen, gaat beschuldigen van kwaad. Weliswaar wordt deze beschuldiging afgezwakt door de erkenning dat ook binnen de kerk het kwade te vinden is. Laat men dan allereerst het daar aanwezige kwaad uitbannen…! Laten de afgedwaalde kerken ‘ogenzalf kopen’, zodat zij kunnen zien. Dan zullen zij voortaan zich ervoor hoeden kinderen Gods aan te klagen, gelovigen die gehoorzamer zijn aan de Heer dan zij die het toch zo goed zouden moeten weten. In stilte overdopen mag dan in zeker opzicht niet netjes zijn, openlijk een ‘doop’ handhaven en verdedigen die geen doop is, is vele malen erger!