Heb geloof in God

 

Vier eeuwen calvinisme

De doorsnee Nederlander is nederig. Dat staat als een paal boven water. In vele aspecten van het leven komt dit tot uiting, niet het minst in het religieuze leven. Vier eeuwen calvinisme hebben daar zeker hun invloed niet in gemist. Calvijn heeft het er in gehamerd: denk erom dat je niets bent, stof en as, een waardeloze zondaar met slechts een klein beginsel van goed. Daar heeft men zich al die eeuwen door aan gehouden en daar heeft men naar geleefd. Geen wonder dat men het ‘zondaar zijn’ en het ‘geen geloof hebben’ als een soort deugd is gaan beschouwen. Hoevelen hebben ons niet met een glimlach meegedeeld: ‘Och, maar ik ben zo gelovig niet’, of zich verschuilend achter ‘het moet je gegeven worden’ zelfs beweerd dat ze helemaal geen geloof hadden. Ergens is men er trots op, dat men zo nederig is. Wij moeten er echter zo zachtjesaan eens achter komen, dat zonde en ongeloof naar het woord van de Heer geen deugd, maar grote ondeugden zijn. Ook moeten wij beginnen op te houden met zo nederig te zijn, want met die zogenaamde eenvoud stimuleren wij maar al te zeer ons ongeloof: Als ik mijzelf steeds maar voor moet houden dat ik een nietsnut ben, ben ik een hele Piet als ik het op het laatst niet zelf geloof.

‘Heer ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp’,

sprak de vader die met zijn bezeten zoon tot Jezus kwam. ‘Heer ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp’ is de lijf tekst van vele christenen in onze dagen. Zij leggen dan het accent op het laatste gedeelte, namelijk op ‘hulp’ en denken dat God een dergelijk geloof of liever ongeloof op gelijke wijze zal honoreren als bij die vader. Zij vergeten echter dat de vader van de bezeten knaap onder geheel andere omstandigheden leefde.

‘Als U iets kunt doen, help ons’ sprak de vertwijfelde vader (Marc. 9:22).

Hij kende de Messias nog niet en hij wist niet wat Jezus doen kon. Wij echter kennen Hem als de Koning van hemel en aarde. Zouden wij dan durven zeggen: ‘Als gij iets doen kunt?’ Zouden wij zijn almacht in twijfel mogen trekken? Wij weten dat Jezus ‘iets kan doen’. Wij weten dat Jezus alles kan doen. ‘Kom ons ongeloof te hulp’ heeft voor ons daarom geen enkele basis. Wat dat ‘kunnen’ betreft, op deze vertwijfelde uitroep is het antwoord van de Heer in Marcus 9:23:

‘Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’.

Niet het kunnen van God, maar ons geloof is het, waar de oplossing van onze problemen om draait. Als wij geloof hebben, kan God wonderen doen. 

Geen excuses

Onder veel christenen heerst een opvatting van: als je veel geloof hebt, bof je. Dan heb je een basis in je leven, waarop je veel heerlijke beloften van God tot je eigendom kunt maken. Heb je echter geen geloof, dan tref je het niet, want in dat geval kun je geen enkele aanspraak maken op een gelukkig en onbezorgd leven. Zo is het echter niet. Ieder die Gods beloften niet gelooft, staat schuldig tegenover Hem. Zijn grootheid en eer worden gesmaad, wanneer zijn beloften en uitspraken niet serieus genomen worden. In 1 Johannes 5:10 staat:

‘Wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon’.

Het ongeloof zet God voor leugenaar. Wie durft er zo’n verantwoording op zich nemen? Ook heerst onder velen de gedachte: het normale is, wanneer je geen of weinig geloof hebt. Mensen met een groot geloof zijn de uitblinkers, de genieën, de geestelijke krachtpatsers. Wanneer voor een bepaalde zaak veel geloof geëist wordt, kan men zich ervan afmaken met een laconiek: ‘Och, ik behoor nu eenmaal niet bij die geestelijke upper ten’. Jezus denkt er echter geheel anders over. In Mattheüs 8:26 roept Hij het zijn leerlingen toe:

‘Waarom bent u bevreesd, kleingelovigen?’

In Mattheüs 17:17 gaat onze Meester zover, dat Hij zijn leerlingen toevoegt:

‘O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen?’

Jezus zegt niet: ‘Och, jullie zijn nog niet zo ver, jullie zijn nog maar zo kort op de weg’, of: ‘Dat is nu jammer voor jullie, maar het uitdrijven van zo’n sterke macht is het werk van een meer gelovige categorie mensen’. Jezus striemt hen met zijn woorden, omdat zij geen geloof bezaten. Toch hadden zij hun best gedaan en zich erg ingespannen. De Heer heeft echter geen consideratie met goede bedoelingen. Hij vraagt. . . GELOOF.  

Vanwaar dat ongeloof?

Wij zijn er nu wel achter, dat ongeloof niet als deugd, maar als een grove zonde betiteld wordt, een kwaad waar wij zo gauw mogelijk mee breken moeten. Om dit te doen is het goed om eens na te gaan, wat zoal de oorzaken van dit ongeloof kunnen zijn. 

A.  Nalatigheid en passiviteit zijn wel de voornaamste redenen van ongeloof in het christelijke leven. Geloof kost inspanning van de wil. Het ‘vrome’ calvinisme heeft ons geleerd dat menselijke inspanning waardeloos is. Volgens deze leer gaat alles wat bet geloofsleven betreft buiten de menselijke wil om: ‘Het moet je gegeven worden’. Daarmee kan de mens zich dan een passieve levenshouding aanmeten, die zo heerlijk aansluit bij zijn natuurlijke verlangens. Een mens zonder geloof kan en moet zich echter wél ernaar uitstrekken om dit te verkrijgen. Met hart en ziel zal hij zich erop toe moeten leggen. De meeste mensen weigeren echter zich hiervoor in te spannen. Ze gaan teveel op in de gewone sleur van het dagelijkse leven en hebben geen fut zich hieraan te ontworstelen. Anderen leven te zorgeloos en zijn wel tevreden met de situatie, zoals deze reilt en zeilt. God kent echter geen pardon met dezen. Hebreeën 10:38 zegt:

‘En mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen’.

Wie in het geloof nalatig wordt, is op weg naar het verderf, zegt vers 39 dan verder en God heeft geen welbehagen meer in hem. 

B.  Ongehoorzaamheid en ongeloof zijn equivalente begrippen in het Woord van God. Wanneer ik weiger Gods bevel te gehoorzamen, is dit omdat ik zijn Woord niet geloof, en omgekeerd: als ik Gods Woord niet geloof, is dit omdat ik weiger te gehoorzamen. In Johannes 7:17 lezen wij:

‘Als iemand diens (Gods) wil doen wil, zal hij van deze leer weten of zij van God komt’.

Wanneer dus iemand werkelijk gehoorzamen wil, zal hij ook echt geloven kunnen. In Hebreeën 4:2 lezen wij hoe de prediking de Israëlieten niet van nut was, omdat het luisteren niet met geloof gepaard ging. In vers 11 wordt dit een voorbeeld van ongehoorzaamheid genoemd. Ongehoorzaamheid en ongeloof zijn synoniem. Wie niet gelooft, is metterdaad ongehoorzaam aan God. 

C.  satanische beïnvloeding en gebrek aan strijdbaarheid. satan is doodsbenauwd voor mensen met geloof. Daarom is het niet te verwonderen dat christenen juist het mikpunt van satanische aanvallen worden, wanneer zij zich gaan uitstrekken naar meer geloof en groter vertrouwen. Satan probeert uit alle macht het ontwakende geloofsleven te vernielen. Zo kan de Heer in Lucas 22:31 tot Petrus zeggen:

‘Simon, zie de satan heeft verlangd u te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, zodat uw geloof niet zou bezwijken’.

In de gelijkenis van de zaaier staat: ‘Daarna komt de duivel en neemt het woord uit het hart weg, zodat zij niet zouden geloven’. Het is echter niet de bedoeling van God dat het geloof vernietigd wordt. God wil de mens het vermogen geven om de duivel te weerstaan. ‘Weersta hem vast in het geloof’. Wanneer wij strijdbaar zijn, zullen wij in staat zijn de macht van de satan te verbreken en in het geloof te volharden. Er is echter een omstandigheid, waarin de mens niet de kracht kan opbrengen om de duivel te weerstaan. Dat is in de situatie waar hij reeds volkomen overheerst is door de machten der hel. De duivel, die al bezit van de mens genomen heeft, zal niet toelaten dat er één sprankeltje geloof in zo’n ziel binnenstroomt. Ook zo’n gebondene heeft geen excuus voor zijn ongeloof. Hij zal zich door gelovigen moeten laten bevrijden, zodat hij zichzelf kan gaan uitstrekken naar geloof en kracht om de boze te weerstaan. 

Een nijpende vraag:

Nu wij zeer wel ervan overtuigd zijn dat ongeloof een grove zonde is, wordt het voor ons een brandende vraag: hoe krijg ik meer geloof? 

a.  Geloof is voor iedereen  

Geloof is niet slechts voor een geestelijke elite, maar voor iedereen. In Romeinen 12:3 spreekt Paulus over

‘de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld’.

Het gaat erom, dat wij datgene wat God geeft, gaan gebruiken. God eist van ons dat wij gaan handelen. In Marcus 11:22 lezen wij, hoe Jezus tot zijn leerlingen zegt: ‘Heb geloof in God’. De Heer bedoelt niet een vaag geloof, dat er ergens een God in de hemel bestaat. Uit vers 23 blijkt dat Jezus een actief geloof bedoelt voor een reële zaak. ‘Heb geloof’ is een opdracht voor iedere christen. 

b.  Geloof ontstaat door het Woord.

Hoe zal men geloven in wat men niet weet? Hoe zal men vertrouwen op een God, die men niet kent? Door het Woord leren wij God kennen, zoals Hij is, leren wij zijn almacht en grootheid verstaan. Slechts als wij door het Woord van God hebben leren begrijpen hoe groot zijn heerlijkheid en macht is, zullen wij geloof krijgen voor ons eigen leven. Tevens leren wij uit de Schrift Gods beloften kennen voor ons persoonlijke leven, voor de gemeente en ook voor deze tijd. Gehoorgevend op de toezeggingen van God in de bijbel, zullen wij geloof hebben tot het verkrijgen van een bepaalde zaak.

c.  Het gebed.

De kennis van het Woord zal echter geen geloof schenken, wanneer zij niet gepaard gaat met gebed. Talloze christenen hebben de eeuwen door de bijbel bestudeerd zonder geloof te hebben ontvangen. Eerst het gebed verlicht het Woord, zodat het geloof kan schenken. Echter niet het gebed om geloof schenkt geloof. Gebed om geloof is meestal een vorm van ongeloof. Het is de gemeenschap met de Heer zelf waardoor geloof in het hart van de mens ontstaat. En bidden betekent: bezig zijn in de hemelse gewesten. Het direct contact met God brengt het Woord tot leven en geeft de mens kracht om actief te geloven. Niet in de eerste plaats het gebruiken van het Woord van God, niet het appelleren op de beloften, maar de innige gemeenschap met de Heer in het Koninkrijk van God zal krachten en wonderen doen in onze dagen. In Marcus 9:14-29 lezen wij hoe de leerlingen tevergeefs probeerden een bezetene te bevrijden. De oorzaak van de mislukking lag niet in het feit, dat ze te hoog grepen. Ze hadden de jongen kunnen verlossen, als zij maar geloof gehad hadden. In het laatste vers staat de oorzaak van hun ongeloof: gebrek aan gebed.

d.  Concentratie op de beloften.

Wanneer wij in het Woord van God de vele heerlijke beloften ontdekken, is het niet voldoende deze alleen maar te aanvaarden en dan maar te zien hoe ze uitkomen. Iedere belofte van God voor ons leven zal gerealiseerd moeten worden. Van dag tot dag zullen wij ons erop moeten concentreren, zullen wij het hart erop moeten zetten. Zonder op de omstandigheden te letten en voor de moeilijkheden opzij te gaan, zullen wij God aan zijn beloften moeten houden. Zo deed ook Abraham. In Romeinen 4:19 en 20 wordt meegedeeld hoe Abraham wist dat de mogelijkheid tot het verkrijgen van kinderen voor hem en voor Sara voorbij was. Toch twijfelde hij niet aan de beloften Gods; hij werd versterkt in zijn geloof. Zo zal ook ons geloof versterkt worden, als wij staan op de beloften van God.

e.  Actie.

In Jacobus 2:17 staat:

‘Zo is het ook met het geloof: als het niet met werken gepaard gaat, is het op zichzelf genomen dood’.

Geloof uit zich in daden. Geloof is: de duivel weerstaan, wetende dat hij van je vlieden zal. Geloof is: in tongen gaan spreken, als je de Heilige Geest ontvangen hebt. Geloof is: op zieken de handen leggen, omdat het Woord van God dit zegt. Geloof is: de slappe handen opheffen en de knikkende knieën strekken, een recht spoor maken met de voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het gelid raakt, doch veeleer geneest, zoals Hebreeën 12:13 zegt. Zo bezig zijnde in het geloof, wordt het geloof versterkt dat God heerlijke dingen gaat doen. 

f.  Vervulling met de Heilige Geest.

Geloof en vervulling gaan hand in hand. Geloof en de gaven van de Geest behoren bij elkaar. In Marcus 16 zegt onze Heer:

‘Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen (boze geesten) zullen zij opnemen, … op zieken zullen zij de handen leggen’.

In 1 Corinthiërs 12:9 is sprake van de gave van geloof door de Heilige Geest. De Heilige Geest en het geloof vormen een samenhangend geheel. Stéfanus was een man vol geloof en Heilige Geest. Verlangen wij naar meer geloof en groter vertrouwen, laten wij dan vervuld worden met de Heilige Geest. Zijn wij met de Heilige Geest gedoopt, laten wij dan ijveren naar de geestelijke gaven. Want dat is de wil van God wat ons leven betreft. Ga iets doen. Wacht niet langer tot er ‘iets gaat gebeuren’ en leg de handen niet in de schoot met de verontschuldiging dat u nu eenmaal zoveel geloof niet bezit. Geen excuses meer gemaakt. Werpt u vandaag nog voor honderd procent in de strijd. Gebruik de middelen die God u gegeven heeft om uw geloof te versterken en ga machtige wonderen beleven met uw Heer.