De mens

 

Naar Gods beeld

God zoekt naar een diepe relatie met de mens gebaseerd op liefde. Daarom schiep Hij hem naar zijn beeld om zijn liefde in die mens te laten opbloeien (Gen. 1:27; Ps. 8:6). God schiep de mens als eenheid, die bestaat uit lichaam, ziel en geest. Het lichaam, de uiterlijke mens, leeft in de zichtbare wereld. De innerlijke mens (ziel en geest), leeft in de onzichtbare, geestelijke wereld. Ieder mens leeft daarom in twee werelden tegelijk. De mens heeft bij zijn schepping van God alles ‘meegekregen’ om van meet af aan contact te hebben met God en een hechte relatie met Hem op basis van liefde op te bouwen.   

Begin zonder zonde

Elk mens begint zijn bestaan zonder zonde, zonder schuld. Toch is geen mens uit zichzelf in staat om de zonde te weerstaan (Rom. 3:23). Door de zonde is de mens gescheiden van God. Ziekte en dood worden zijn deel. Ieder mens draagt daarin zijn persoonlijke verantwoordelijkheid (Jer. 31:30; Ez. 18:4). Maar God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft (Joh. 3:16). En ‘Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood.’ (Hebr. 2:14,15). Jezus wil elk mens verlossen van de zondeschuld en weer volkomen gezond maken naar lichaam, ziel en geest. 

Bestemming

God kent elk mens persoonlijk (Ps. 139:15). Hij wil dat ieder mens uitgroeit tot de volmaakte en volwassen mens, die Hij van het begin af aan voor ogen had (Matth. 5:48). ’Zodat hij als een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust’ (2 Tim. 3:17). Jezus en zijn apostelen roepen ons daarom op navolgers te worden van hen en door geloof en geduld alle beloften van de Vader te beërven. (Hebr. 6:12) De mens is bestemd om samen met de Heer Jezus op de troon van God te zitten (Op. 3:21). Dan is de door God bedoelde volkomen eenwording tussen Hem en zijn kinderen bereikt. (1 Kor. 15:8)