Openbaring van de Geest

 

‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’ (1 Kor. 12:7) 

God schonk ons door zijn Geest een geweldige kracht. Deze zal echter ook openbaar moeten komen. Met de komst van Gods Geest in ons leven werd een bron in ons ontsloten. Een stroom van levend water werd ons deel. God verwacht van ons, dat deze ook dóór gaat stromen. Hoe kunnen wij er nu voor zorgen dat dit ook inderdaad gebeurt? 

De Bijbel stelt dat God de manifestatie van de Geest aan iedereen geven wil. Dat zou de indruk kunnen wekken dat we over de diverse geestelijke gaven nog steeds geen beschikking hebben en dat we ze dus nog moeten ontvangen. Het gaat echter duidelijk om iets anders: de gaven zijn wel beschikbaar, maar ze moeten ook openbáár kunnen worden. 

Onze Bijbelvertalers hebben dat blijkbaar ook begrepen. In het eerste vers van het gedeelte waarin Paulus het gebruik van de geestelijke gaven in de gemeente reguleert, kozen ze bewust niet voor het geijkte begrip ‘gaven van de Geest’, zoals vele anderen dat doen. Ze stellen: ‘Ten aanzien van de uitingen van de Geest wil ik u het volgende zeggen’.

Zij spreken van ‘uitingen’, niet van ‘gaven’. En terecht! De vraag is namelijk niet in de eerste plaats of God ons zijn geestesgaven wel heeft toevertrouwd. Wij werden immers allen in één Geest tot één lichaam gedoopt. Wij werden allen met heilige Geest gedrenkt – ons werd van dezelfde Geest ‘te drinken gegeven’. Wij mogen ons voortdurend aan de Geest laven, de aanwezigheid in ons leven is reëel. Zouden wij dan over Gods gaven geen beschikking hebben? 

Gods Geest zal echter kans moeten zien om zich in ons leven ook te uiten, Aan Hem zal het niet liggen. Hij stelt ons een overvloed aan kracht en vitaliteit ter beschikking om de zegen van zijn aanwezigheid aan anderen door te geven. Maar dan zullen wij zélf echter wel de remmingen weg moeten nemen. Dan zullen wij bereid moeten zijn om datgene wat de stroom van zijn genade in zou kunnen dammen, radicaal uit de weg te ruimen. 

Als Paulus stelt dat wij moeten streven naar de gaven van de Geest, wil dat zeggen dat we er voor zullen moeten zorgen dat ze zich kunnen ontplooien, inderdaad ‘uit de verf’ kunnen komen. Dat ze zich kunnen openbaren. Dit is de uitdaging waar wij voor staan. We moeten leren Góds Geest zodanig de ruimte te geven, dat zijn gaven in ons leven openbaar kunnen worden tot welzijn van allen. 

Goddelijke dynamiek 

De Bijbel geeft duidelijk aan dat met de komst van Gods Geest in ons leven ook de dynamiek en de stootkracht ons deel worden, die nodig zijn om al Gods gaven in de praktijk van het geloofsleven tot ontplooiing te brengen. Wij worden bekleed met kracht van omhoog als Gods Geest over ons komt! Wordt er bijvoorbeeld onder ons geprofeteerd, dan is dat, omdat Gods Geest er mensen toe aanzet, de gaven die Hij reeds schonk, vrijmoedig te activeren. Petrus stelt: 

‘Nooit is profetie voortgekomen uit menselijk initiatief’ (2 Petr. 1:21).  

Geen ware profeet zal ooit zeggen: nu profeteer ik maar eens wat. Petrus stelt dan ook:  

Door Heilige Geest geïnspireerd, hebben mensen namens God gesproken’.   

Ditzelfde principe nu is van toepassing op álle gaven van de Geest, niet alleen op die van profetie. Voor de openbaring van élke gave van de Geest is goddelijke drijfkracht nodig. Wat een rust is het te weten dat God ons niet alleen zijn gaven toevertrouwt, maar ons door zijn Geest ook aanzet om ze tot ontplooiing te brengen. Om vrijmoedig te doen waartoe wij ons eigenlijk zelf niet in staat achten. En dat geldt voor élke gave waarmee we de gemeente dienen willen. Zo stelt Petrus: 

‘Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen…. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft’ (1 Petr. 4:10,11).  

Elk van Gods gaven staat ons vrij ter beschikking. Hij schenkt ons daarbij de drang en de dynamiek om ze ook te hanteren. Dat is Gods belofte voor ieder van ons. 

Geloofsmoed of bezetenheid? 

De gaven van de Geest worden ‘operationeel’ onder goddelijke aanzet. Voor sommigen zal dat een wat beklemmende gedachte zijn. Gods Geest kan ons dus boven onze beperkingen uittillen, maar heb je jezelf daarbij nog wel onder controle? De apostel Paulus wist waarschijnlijk dat ook de gelovigen in Corinthe met dergelijke vragen zaten. Vandaar dat hij zijn betoog begint met een verwijzing naar hun vroegere ervaringen in het heidendom: 

‘U weet, dat u, toen u nog heiden was, u blindelings naar de stomme afgoden liet heen drijven… ‘  

In het spiritisme is de ‘gedrevenheid’ van dien aard dat de mens niet langer heer over zichzelf kan zijn. Hij wordt niet alleen door een ‘hogere macht’ aangespoord en gestimuleerd, maar er totaal door overweldigd, er door bezeten. Hij handelt eigenlijk zelf niet meer – de macht die bezit van hem nam, heeft het heft volkomen in handen genomen. De demonen zijn niet met minder tevreden. Zij verlangen blindelingse overgave! Hoe zit het nu met de dynamiek die de Heilige Geest bewerkt? Paulus laat daar geen twijfels over bestaan: 

‘Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand kan ooit door toedoen van de Geest van God zeggen: Vervloekt is Jezus’.  

Het is of de apostel aangeven wil: maak je over de aanzet die Gods Geest geeft tot de openbaring van zijn bovennatuurlijke gaven en krachten maar niet bezorgd. Stel dat iemand vanuit zijn gedrevenheid in een samenkomst zou zeggen: ‘Vervloekt is Jezus’. Iedereen zou onmiddellijk herkennen dat dit fout zit. Niet alleen vanwege de inhoud. Maar ook vanwege de manier waarop dit gebeurt. Zou de ander zeggen ‘ik moest dit zo uitspreken’, dan herken je daarin juist zijn verkeerde inspiratiebron. 

Als Gods Geest mensen aandrijft, dan doet hij dat nooit opdat zij blindelings zouden gehoorzamen en daarbij de meest onbehoorlijke dingen zouden doen of zeggen. Nee, de Heilige Geest werkt slechts de impuls, de vreugde, de vrijmoedigheid om te spreken en te handelen. Hij dringt wel, maar hij dwingt nooit! Vandaar dat de gelovige altijd zelf verantwoordelijk voor zijn daden blijft. Gods Geest vraagt bij de openbaring van zijn gaven slechts onze bewuste en vrijwillige samenwerking. Als twee gelijkwaardige partners mogen we het samen doen. Vandaar dat Paulus als tegenstelling opmerkt: 

‘Daarom zeg ik u nadrukkelijk…. niemand kan ooit zeggen: ‘Jezus is de Heer,’ behalve door toedoen van de heilige Geest….’  

Wat zeggen gelovigen dat graag: Jezus is Heer! Ze doen dat vrijwillig, uit eigen initiatief, vanuit de behoefte van hun hart. Maar als ze het doen wordt onmiddellijk Gods Geest actief om daar zijn goddelijke bezegeling op te geven. Gods Geest oefent geen overrompelende dwang uit, maar wel een fijngevoelige, onmiskenbare stimulans om zich te uiten. We zingen vaak: Juich, want Jezus is Heer. Tijdens dat zingen begint er van binnen iets bij je op te borrelen – een ongekende blijdschap en vitaliteit. Je zou de neiging krijgen om er beide handen enthousiast bij op te heffen. Als je dat zo uitspreekt of uitzingt, ervaar je: ik zeg het allemaal wel op mijn menselijke manier, op de melodie die men er voor bedacht heeft, maar het is tegelijkertijd Gods Geest die hierbij de blijdschap in mij wakker maakt. 

Wie in tongen spreekt, weet hoe het werkt: het grote geheim is dat je het samen doet – Gods Geest getuigt daarbij met onze geest. Aan ons de opdracht om met Gods Geest samen te werken. Gods Geest werkt niet ondanks ons, maar juist dóór ons. Samen maken we de weg vrij om God bij het spreken in tongen groot te maken. 

Remmingen 

Gods Geest wil met ons op harmonieuze wijze samenwerken, met het volle respect voor onze persoonlijke vrijheid. Dat betekent dat er bij ons ook een groot stuk verantwoordelijkheid gelegd wordt. Het is namelijk aan ons om vrijwillig Gods Geest de ruimte te geven. God ontsluit de bron en laat het water stromen. Wij zullen er voor moeten zorgen dat er geen dammen opgeworpen worden. Dat nu is maar al te goed mogelijk. 

We kunnen de Heilige Geest bedroeven, de openbaring van zijn tegenwoordigheid tegenstaan. Heel bewust misschien, maar ook wel zonder dat we beseffen wat we doen. Onze reserves, onze vooringenomenheid, onze remmingen, onze gebondenheden zelfs – ze kunnen ons behoorlijk parten spelen. Maar ook ons gebrek aan tact en fijngevoeligheid, onze eigenzinnigheid, onze geestelijke hoogmoed, ons individualisme kunnen Gods Geest belemmeren. 

Als wij in onze gemeenten willen komen tot de openbaring van de gaven van de Geest, is het zaak dat daar het juiste klimaat voor aanwezig is. Want het is in de gemeente dat de manifestatie van de Geestesgaven in de eerste plaats thuishoort. Als in onze gemeenten Gods aanwezigheid niet ervaren wordt, hoe zullen zij komen tot de openbaring van de Geest? Aan ons dan ook de uitdaging om in onze samenkomsten te zoeken naar een gang van zaken en een klimaat waarin de Geest zich vrij zal kunnen manifesteren. 

Vrijheid 

Wat men in een samenkomst in de eerste plaats nodig heeft, is ongetwijfeld: vrijheid. Er zal een klimaat moeten zijn waarin de gemeenteleden onbeschroomd actief kunnen zijn in het openbaren van de geestesgaven. Hoe bereiken we dat nu? Moeten we elkaar voortdurend voorhouden dat iedereen maar de vrijheid moet nemen om te doen wat hij denkt te moeten doen? De apostel Paulus wijst een weg die op een hoger plan ligt. Hij stelt voor de gemeente van Jezus Christus: 

‘En wij allen, die met een gezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid van de Heer weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, die Geest is’ (2 Cor. 3:18).  

Dat ‘weerspiegelen’ van de heerlijkheid van de Heer heeft te maken met twee dingen: met het opvangen en het weergeven van Gods heerlijkheid. Paulus merkt in dat verband op dat de ware gelovigen geen ‘bedekking op hun gezicht’ hebben. Die uitdrukking verwijst naar de ervaring van Mozes. Nadat hij veertig dagen in Gods tegenwoordigheid was geweest, moest hij zijn gelaat bedekken omdat het volk de tegenwoordigheid van de Heer die hij uitstraalde niet verdragen kon. Hoe heel anders in het midden van de gemeente! Ieder gemeentelid mag het voorrecht genieten Gods tegenwoordigheid te ervaren en die ervaring in volle vrijheid in het midden van zijn broeders en zusters ook uit te stralen. Vandaar dat Paulus zonder meer stelt: 

‘De Heer nu is de Geest; en waar de Geest van de Heer is – en Hij is in het midden van zijn volk – is vrijheid’ (vers 17).  

Hoe komen we nu tot de ervaring van zijn tegenwoordigheid? Hoe verschijnen wij voor Hem? Het is niet toevallig dat onze samenkomsten beginnen met een ‘zangdienst’ en een ‘aanbiddingdienst’. Wie dienen wij hierin anders dan de Heer?! Wij komen voor zijn aangezicht, ervaren zijn heerlijkheid, stralen deze uit en …. beleven daar waar de Geest van de Heer is, ook zijn vrijheid! Is het een wonder dat het juist in onze aanbiddingdiensten is dat de Heer inspireert tot de openbaring van de gaven van de Geest?! 

Orde en fatsoen 

Een tweede kenmerk van het klimaat waarin de Geest zich in de gemeente van Jezus Christus openbaren kan, is: een door God gewerkte orde en gevoel voor fatsoen. De vrijheid van de Geest werkt geen chaos, maar harmonie. Vandaar dat Paulus in zijn verhandeling over de uitingen van de Geest duidelijk een gezonde gang van zaken kon aangeven. De aanwijzingen die hij gaf, zijn dan ook geen dorre regels, geen vaste normen of wetten. Ze vormen de goede raad van iemand die uit ervaring weet hoe de Geestesgaven het best in alle harmonie kunnen functioneren. Ook in deze ogenschijnlijk menselijke richtlijnen over wat de beste ‘orde van dienst’ zou kunnen zijn, klinkt goddelijke wijsheid door. Als je die maar herkennen wilt: 

‘Wie van u denkt te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn, dient te erkennen dat wat ik u schrijf een bevel van de Heer is…. Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren’ (1 Cor. 14:37,40).  

Bij elke gemeente leeft een bepaald gevoel van orde en fatsoen. Elke samenkomst kent wel een bepaald gedragspatroon. Dat patroon ligt niet vast, vandaar dat er telkens weer bezinning over nodig is. Telkens weer zal het een en ander bijgesteld mogen worden. Wie zich nu voor de openbaring van de Geest beschikbaar wil stellen, zal bereid moeten zijn in deze orde mee te functioneren. Hij zal moeten herkennen wanneer het juiste moment daar is, om zijn persoonlijke inbreng te hebben. Hij zal moeten luisteren naar de aanwijzingen die de leiding in een samenkomst daarvoor verstrekt. Niet in elke dienst zal dat expliciet naar voren gebracht worden, maar hij zal dan toch met de goede gang van zaken bekend moeten zijn, daar rekening mee moeten houden en erop in moeten spelen.

Gezag 

Willen in een gemeente de Geestesgaven vrij functioneren, dan zal daar duidelijk van een door God gegeven gezag sprake moeten zijn. Van de openbaring van de Geest wordt niemand uitgesloten. Immers: 

‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk….’

En:   ‘Maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt …. ‘  

Waar nu iedere gelovige zonder uitzondering aan de openbaring van de Geest deel mag hebben, zou je veronderstellen dat allen op grond daarvan ook gelijke rechten hebben in de gemeente. Dit is echter slechts de ene kant van de medaille. De andere is: 

‘En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente … .’ (1 Cor. 12:28).  

Sommigen! Het is aan sommigen dat de Heer van de gemeente speciale taken en ‘ambten’ toebedeelt. Zou het nu vreemd zijn te veronderstellen dat deze mensen op grond van hun bijzondere toerusting ook een bijzonder gezag genieten in de gemeente? 

Ziehier het goddelijke evenwicht dat de Geest in zijn gemeente werken wil: aan de ene kant goddelijke vrijheid, aan de andere kant een door God gewild gezag. Juist in een gemeente waar de gaven van de Geest functioneren hoort van een duidelijke leiding sprake te zijn. Een krachtige leiding werkt namelijk een grote mate van geestelijke vrijheid in de hand: ergens ligt een eindverantwoordelijkheid. En dat geeft een grote rust en ontspannenheid. Wie zich voor de openbaring van de Geest door zijn leven open wil stellen, mag het weten: ik heb mensen om me heen op wie ik terug mag vallen. Ik mag me aanspreekbaar opstellen tegenover hen, ik mag me laten corrigeren. Als ik iets niet helemaal goed doe, zullen ze me te hulp komen en me leren hoe ik beter kan streven naar de gaven van de Geest. Als het nodig is, grijpt de leiding onmiddellijk in. Niet om te ontmoedigen, maar om me voort te helpen op de weg! 

In de gemeente zijn we druk bezig met het functioneren in alle vrijmoedigheid onder de zegen van deze ‘eindcorrectie’. Niemand hoeft bang te zijn om met de vrijheid van Gods Geest aan de slag te gaan: door een profetie uit te spreken, een gezicht door te geven, een Bijbeltekst te citeren, een voorval te vertellen. Er is geen angst voor onvolkomen of zelfs valse profetieën, voor uitspraken die niet opbouwend zijn, initiatieven die verstorend werken. Maar als ze – en dat gebeurt slechts heel zelden – toch onverhoopt voorkomen, dan wordt er zo nodig ter plekke wat aan gedaan – vanuit de rust en het gezag dat de Heer daarvoor de leiding in de gemeente heeft toevertrouwd. 

Acceptatie 

Willen de Geestelijke gaven in een gemeente harmonieus functioneren, dan zal er ook van een grote wederzijdse acceptatie sprake moeten zijn. Paulus zegt: 

‘Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard. Ik bedoel dit dat Christus ter wille van de waarachtigheid van God een dienaar van besnedenen geweest is … .’ (Rom. 15:7,8).  

Paulus wijst hier op een interessant aspect van de bediening van onze Heer: Jezus was bereid tot dienstbetoon. Dit werd echter niet gewaardeerd. Het waren de Joden die Hij diende en het waren ook de Joden die Hem kruisigden. Nu zegt Paulus: laat het in de gemeente niet zo zijn, dat de een de dienstbaarheid van de ander verwerpt. Misschien is er kritiek op de wijze waarop de ander functioneert, misschien is die kritiek wel ergens terecht en zijn er onvolkomenheden aan te wijzen. Aanvaardt echter elkaar, zoals Christus ons aanvaard heeft – met alle onvolkomenheden erbij! 

Wat is dat machtig. Als je in alle oprechtheid mee wilt functioneren in de openbaring van de Geestelijke gaven, mag je ook weten: al maak ik nog wel eens fouten, ik word aanvaard. Dit bewustzijn van wederzijdse acceptatie zal een grote openheid wekken om onbelemmerd onder de leiding van Gods Geest te functioneren en om ook van elkaar te leren. 

‘Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft.

Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem’ (Kol. 3:16,17).