Lofprijzing van Pinksteren
‘Wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden ….
Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’ (Hand. 2:11-13)
Aanvaarding of verwerping
Pinksteren heeft iets provocerends. Er ligt een duidelijk spanningsveld tussen de vrijheid die gelovigen zich – onder de leiding van de Heilige Geest – veroorloven en de reactie van de omringende wereld daarop. Reden tot bezorgdheid hoeft dat echter niet te geven. In feite is die spanning er al vanaf de eerste Pinksterdag. Op die dag gebeuren er namelijk allerlei wonderlijke dingen: Een geluid van een hevige windvlaag vult het huis waar de leerlingen in gebed zijn. Er verschijnen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. De gelovigen worden vervuld met de Geest en beginnen in andere tongen te spreken
‘zoals de Geest werd ingegeven’.
Allen tegelijk. En wel zo luid en duidelijk, dat er uit de mensen, die dit vanaf een afstandje zien, velen zijn, die er hun eigen taal uit herkennen. Ongewild ‘ontaardt’ daarmee wat als een privébidstond begon in een publieke samenkomst.
De reacties van de toeschouwers kunnen niet uitblijven. Hun meningen lopen uiteen van terughoudende aanvaarding tot radicale afwijzing en bespotting. De evangelist Lucas, die dit gebeuren in de Handelingen registreert, neemt de moeite om even te schetsen waar dit publiek uit bestaat:
‘Vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde’.
Mensen die hun godsdienst blijkbaar zo nauw nemen, dat zij kosten noch moeite sparen en optrekken naar Jeruzalem, om daar de ware God te kunnen aanbidden. Onder dit publiek nu zijn de meningen duidelijk verdeeld. Hun ‘vroomheid’ garandeert nog geen goed begrip voor het werk van Gods Geest in het leven van Gods kinderen.
Herkenning
Aanvaarding – met de nodige reserves – enerzijds en radicale afwijzing anderzijds, verdelen het publiek in twee kampen. Lucas meldt dat sommigen het spreken in tongen niet alleen verstaan, maar er ook de bedoeling van herkennen: een lofoffer van lippen die zijn naam belijden! Dank, lofprijzing en aanbidding. Zij stellen vast:
‘Wij horen hen in onze eigen moedertaal van de grote daden van God spreken’.
Waarop Lucas opmerkt:
‘Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: Wat heeft dit toch te betekenen?’
Geen wonder! Ook onder deze ‘vrome mannen’ zijn er blijkbaar mensen bij wie in het hart de vrijmoedige lofprijzing van de leerlingen duidelijk resoneert. Er komt een diep, heilig ontzag bij hen boven, ook al kunnen zij dit gebeuren niet plaatsen. Vandaar hun verlegenheid. Er is iets dat hen waarschuwt: ook al vind je dit alles gek en onbegrijpelijk, blijf er met je kritische vingers af!
Onaangepast gedrag
Een andere categorie heeft het er helemaal niet moeilijk mee. Zij hebben hun antwoorden al klaar: ‘Ze zullen wel dronken zijn’. Wanneer men dat wat onder de leiding van de Heilige Geest gebeurt, perse wil afwijzen, kan men daar altijd wel een argument voor vinden. Maar men moet niet verwonderd staan dat daar dan ook een duidelijk antwoord op gegeven wordt. Dat doet Petrus op de Pinksterdag. Hij schaamt zich niet voor wat gebeurt. Hij past zich in zijn gedrag niet aan de publieke opinie aan, maar waagt zich aan een openbare discussie:
‘Deze mensen zijn niet dronken, zoals u denkt; het is immers pas het derde uur na zonsopgang. Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël: In de eindtijd, zegt God, zal ik over alles wat leeft mijn geest uitgieten’.
Tongentaal als teken
De vraag komt naar boven, waarom Pinksteren zo nodig publiek moest worden, met als gevolg dat voor de lofprijzing van Pinksteren een zware prijs betaald moest worden. De prijs van smaad, verachting en onbegrip. Van tegenspraak en verdeelde meningen. Waarom moest het spreken in tongen zo nodig massaal en publiekelijk beoefend worden? Waarom geen poging gedaan om de tongentaal binnen het acceptabele te houden, binnen de intieme kring van ingewijden? Als Paulus dit probleem onder de loep neemt – en ook in de eerste christengemeente was dit aan de orde – verwijst hij naar een oudtestamentische profetie waarin het spreken in tongen wordt genoemd:
‘Inderdaad, door mensen met een vreemde tongval, in een andere taal, spreekt de HEER tot dit volk. Ooit heeft Hij tegen hen gezegd: Hier is rust, hier vind je verpozing, laat wie vermoeid is hier rusten.’
Maar ze weigerden naar Hem te luisteren’ (Jesaja 28:11,12).
Een verademing
De lofprijzing van Pinksteren heeft het publiek blijkbaar iets te zeggen. Ondanks het feit, dat het zo moeilijk te plaatsen valt – voor de toehoorders mag het spreken in tongen een ‘onverstaanbare taal’ en een ‘vreemde tongval’ zijn – toch kan daar bij de buitenstaander de ontdekking bestaan dat God hem door dit verschijnsel aan wil spreken. Niet door de woorden waarvan de exacte betekenis begrepen wordt, maar dankzij de intentie die erin herkend wordt. Uit het beoefenen van het spreken in tongen straalt een zegen van rust, vrede en verademing. De lofprijzing in tongen heeft een duidelijke uitwerking op de mens. Het brengt hem in het besef van Gods tegenwoordigheid.
Onbegrip
Bij de ‘lofprijzing van Pinksteren’ is het in feite net als bij de gelijkenissen die Jezus ooit vertelde: wie oren heeft om te horen, laat die dan horen! Ten onrechte veronderstelt men dat de Meester zijn gelijkenissen vertelde om het zijn toehoorders gemakkelijk te maken bij het doorgronden van zijn boodschap. De evangelisten geven aan, dat Jezus er gebruik van maakte met als doel juist niet door Jan en alleman begrepen te worden:
‘Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen…. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen’ (Mattheüs 13:13-15).
Ook in de gelijkenissen sprak de Heer een ‘onbegrijpelijke taal’. Zo toetste Hij zijn toehoorders of zij wel honger en dorst hadden naar geestelijk inzicht. Hier werd een scheiding van geesten openbaar. Wie bewust oren en ogen opende vanuit het intense verlangen om te begrijpen, kréég ook de mogelijkheid de dingen geestelijk te verstaan. Waar deze bereidheid echter ontbrak, ging de werkelijke betekenis volkomen aan de toehoorders voorbij.
Innerlijke verharding
Ditzelfde principe nu is ook op de lofprijzing van Pinksteren van toepassing. Er zit veel ‘onverstaanbaars’ in de manier waarop de gemeente op de eerste Pinksterdag komt tot ‘aanbidding in geest en in waarheid’. Voor velen is dit onbegrepene in de lofprijzing een struikelblok – zij storen zich eraan, omdat het niet past in de wijze waarop zij tot dusver hun eigen ‘godsdienst’ hebben bedreven. Maar ze willen ook niet – de profeet heeft het al voorspeld: door de tongentaal wilde God tot hen spreken over rust en verademing, ‘maar zij wilden niet horen’. De verwerping van de lofprijzing van Pinksteren komt niet voort uit het feit dat het allemaal zo onbegrijpelijk is, maar uit de onwil om oprecht naar de betekenis ervan te zoeken!
Wonderlijk eigenlijk, dat God juist bij het pinkstergebeuren mensen een handvat geeft om het werk van zijn Geest af te wijzen. Hoe aannemelijk klinkt op het eerste gehoor het argument: ‘zij hebben teveel gedronken’ – deze mensen zijn dronken, buiten zichzelf, in extase, ze lallen maar wat als dronkenmannen. Tot op de dag van vandaag geeft de lofprijzing van Pinksteren marge voor deze radicale afwijzing. Ze kómt toch maar vaak extatisch over! Terwijl ze het helemaal niet is!
Gezamenlijke vrijmoedigheid
In een poging om het beoefenen van het spreken in tongen van het aanstotelijke te ontdoen, gaat menige gelovige vandaag aan de dag met zijn pinksterervaring ‘ondergronds’. Men spreekt wel in tongen, maar houdt dit uitsluitend gereserveerd voor de binnenkamer. In de ‘eredienst’ weet men er in feite maar weinig raad mee. De wijze waarop de 120 mensen bij de uitstorting van de Heilige Geest met de eerste ‘pinkstersamenkomst’ begonnen, is hun volkomen vreemd, evenals ook de Paulinische opdracht om juist in de bijeenkomsten met Gods Geest vervuld te raken door ge-zamenlijke lofprijzing:
‘Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen en zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft. Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer ….’ (Efeziërs 5:18.19).
Vanwaar die toespeling op het (verkeerde) gebruik van een stimulerend middel waardoor niet alleen de remmingen worden losgegooid, maar helaas ook de normen zodanig vervagen, dat men eigenlijk niet meer weet waar men mee bezig is? Spreekt de apostel hier niet van een ‘beheerste vrijmoedigheid’ die onder Gods kinderen openbaar komt wanneer zij samen de Heer prijzen? Van een evenwicht door Gods Geest bewerkt, waarbij men volle vrijheid vindt om zichzelf te uiten zoals de Heer het leidt, zonder daarbij in excessen te vervallen?
Tegemoetkoming
Voor de lofprijzing van Pinksteren moet een prijs betaald worden: de prijs van onbegrip en verwerping. Er is ook nog sprake van een andere prijs: die van de bereidheid om tegemoet te komen aan degene die mogelijk wel begrijpen wil, maar in zijn denken over deze dingen nog tot vernieuwing moet komen. Mensen voor wie de lofprijzing van Pinksteren een zaak is om ‘geheel van hun stuk gebracht’ vanwege hun oprechtheid en schroom om af te wijzen wat van Gods Geest zou kunnen zijn.
Op de lofprijzing van Pinksteren hoort dan ook prediking te volgen. Zo gebeurde het op de eerste Pinksterdag. Zo moet het ook nu nog zijn. Als de ‘gesloten bidstond’ van de eerste christenen wordt overspoeld door een nieuwsgierig toestromend publiek, is dat geen aanleiding om de lofprijzing onmiddellijk te laten verstommen. Wél echter is het één en ander aanzet tot uitleg:
‘Deze mensen zijn niet dronken, zoals jullie denken….’
Als Gods kinderen vol zijn van Gods Geest en zich in hun lofprijzing een vrijheid veroorloven, die een buitenstaander misschien vreemd overkomt, maar die volkomen beheerst en bewust geoefend wordt, mag hun verteld en uitgelegd worden wat hier aan de hand is.
‘Vertolking’
Als Petrus op de Pinksterdag commentaar levert op de lofprijzing die door de gelovigen wordt gebezigd onder de inspiratie van Gods Geest, geeft hij in zekere zin een ‘vertolking’ van dit gebeuren. Hij legt zijn toehoorders voor alle duidelijkheid uit wat de bedoeling van het spreken van de leerlingen is. Geeft de apostel Paulus later aanwijzingen voor het gebruik van de ‘lofprijzing van Pinksteren’ in de samenkomsten, dan legt ook hij de nodige accenten op de noodzaak van ‘vertolking’ in de gemeente. Deze is zo belangrijk, dat de Heer daar door zijn Geest een bijzondere gave voor wil geven.
Vanuit ons wetenschappelijke, westerse denken waarin aan woorden en begrippen een grote exacte waarde wordt toegekend, leeft bij ons de neiging om bij ‘vertolking van tongen’ uitsluitend aan een ‘letterlijke vertaling’ van het gesprokene te denken. ‘Spreken’ in Bijbelse zin, is echter veel meer dan het articuleren van klanken met een vastgestelde betekenis en het formuleren van weloverwogen zinnen. Spreken is een totaalgebeuren, dat de hele mens opeist.
Uiteraard kennen we dit in onze eigen cultuur ook wel. Hoe duidelijk is het bijvoorbeeld voor kinderen in gelovige gezinnen wat er aan de orde is, als vader aan tafel aangeeft: ‘Eerbiedig! Ogen sluiten, handen samen …. .’ Ook voor ons bestaat gebed niet altijd uit woorden. Bidden is een gebaar. Het sluiten van de ogen spreekt van het verlangen om zich voor het zintuiglijk waarneembare af te sluiten. Het vouwen van de handen spreekt van het zoeken naar innerlijke rust. Waarom is die ‘taal’ nu zo eerbiedig? Eenvoudig omdat wij er die betekenis aan gegeven hebben. ‘Bijbels’ – in die zin dat ze in de Bijbel voorkomt – is ze namelijk niet!
Daar is sprake van het ‘opheffen van de ogen naar de hemel’ (Lucas 18:13) en ‘het bidden met opheffing van heilige handen’ (1 Timotheüs 2:8). Het ‘vouwen van handen’ zou je op de keper beschouwd dus eerder als ‘roomse devotie’ moeten brandmerken, dan als een Bijbels gebaar. Toch spreken wij die ‘taal’, en de betekenis ervan is zo duidelijk dat een ‘vertolking’ niet eens meer nodig is. Willen we bij de ‘lofprijzing van Pinksteren’ andere ‘talen’ spreken, dan zullen wij daar een prijs voor moeten betalen. Die van het met tact en fijngevoeligheid uiteenzetten van de betekenis van onze lofprijzing. Zowel van het gesprokene als van het gebaar. Zodat Gods kinderen zich daar met hart en ziel in zal kunnen verheugen en zich zal verheffen tot God.