Gods Naam is zijn Wezen
‘Ha Sjeem’ – de Naam
‘Jahwe’ is in het Hebreeuws de gebruikelijke naam voor God. De Joden zullen de naam van God nooit uitspreken. De naam ‘Jahwe’ is hen zeer heilig en de strenge opvatting van Leviticus 24:16 speelt hierbij stellig een rol:
‘Wie de naam van de Heer lastert moet ter dood gebracht worden’.
Liever spreken de Joden over de Eeuwige; of ‘Ha Sjeem’, wat betekent: de Naam. Nu was de naam in het Oosten zeer zinvol. Iedere naam had een betekenis. Maar bovenal: Het drukte iemands wezen uit en gaf ook aan, wat men van iemand mocht verwachten!
We nemen de naam Bileam als voorbeeld. Vanuit Numeri 22 tot en met 24 weten we dat hij een occult man was, een magiër, een tovenaar, een dwaalleraar. Hij was zelfs bereid om Israël voor een waarzeggerloon te vervloeken. Zijn naam betekent ‘verslinder van het volk’ en dit alles vertelt iets van zijn wezen, zijn persoon, maar ook wat we van hem verwachten kunnen! In Numeri 31:16 lezen we dan ook dat hij de Israëlieten er toe bracht te zondigen.
‘Hoe is uw naam?’
In het verhaal van de genezing van een bezetene (Marcus 5) lezen we dat Jezus aan de bezeten mens vraagt:
‘Hoe is uw naam?’
Jezus vraagt dit niet uit nieuwsgierigheid. Nee, Hij weet dat de mens overweldigd is door onreine geesten en zichzelf niet in de hand heeft. Kort samengevat: ‘Wees jezelf’, zei Iemand, maar hij kon niet, want hij was niemand!
De bezeten mens is zichzelf niet meer. Hij is zich niet meer van zijn identiteit bewust. Daarom vraagt Jezus: ‘Hoe is uw naam?’ Wie ben je in wezen? Eigenlijk vraagt Hij: ‘Mens, met wie ben je verbonden, dat je je van je wezen niet (meer) bewust bent?’ Is het dan verwonderlijk dat niet de mens antwoord geeft, maar een onreine geest:
‘Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk’.
Wat blijkt nou? De mens en de onreine geest(en) zijn één. Deze mens is verbonden met geesten die het letterlijk voor het zeggen hebben in zijn leven. Het antwoord van één van de onreine geesten zegt iets van zijn wezen. Maar het zegt ook iets van wat we kunnen verwachten! Een legioen was immers een Romeinse legerafdeling van drie- tot zesduizend man! Als er dan in de buurt van dit gebeuren een grote kudde van ongeveer 2.000 zwijnen wordt gehoed, is het niet zo verwonderlijk dat deze boze geesten massaal in de kudde trokken en zich in zee storten! Tja, ‘t was te verwachten.
Als we gaan onderzoeken wat de Naam van God inhoudt, ontdekken we wie Hij werkelijk is en wat we van Hem kunnen verwachten. Maar ook: wie wij mogen zijn in Hem en wat Hij van ons verwacht! Hij verwacht dat wij in zijn Naam optreden tegen duivelse machten en hen gebieden hun werken van vernietiging te staken in het leven dat Jezus Christus toebehoort!
Als wij de Naam van Jezus uitspreken, verbinden wij ons met zijn wezen. En spreken wij de Naam van God over iemand uit, dan is de zegen, die aan het wezen van God is verbonden, zijn deel. Het is machtig als je je zo verbonden weet met de Naam, het wezen van God!
‘Hoe is zijn Naam?’
Wanneer God aan Mozes de opdracht geeft, terug te keren naar zijn volk en hen uit Egypte te leiden, vraagt Mozes:
‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: HOE IS ZIJN NAAM? Wat moet ik hun dan antwoorden?’
Mozes bedoelt: De Israëlieten zullen vragen wat ze nu van God mogen verwachten en met welke Naam moet Hij daartoe God aanduiden, zodat ze uit die Naam meteen weten, wat God voor hen zijn wil. Het antwoord van God luidt dan:
‘Ik ben, die Ik ben …. zo zal tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij naar u toe gestuurd!’
God houdt hiermee zijn goddelijk wezen verborgen. God bedoelt: Heb maar geloof! Ik ben immers dezelfde als in de tijd van Abraham, Izak, Jakob en Jozef, en zal zo zijn tot in eeuwigheid! God is onveranderlijk en bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen!
Toch komt Mozes zo ver dat hij gaat ontdekken wie God is. In het zogenaamde ‘lied van Mozes’ (Deut. 32) proclameert hij de Naam, dat is het wezen van zijn God:
‘Want de naam van de Heer roep ik uit: de Heer is onze God, laat iedereen Hem prijzen! Hij is een rots, hij staat voor recht; alles wat Hij doet is volmaakt. Trouw is God, rechtvaardig en zuiver, in Hem is geen spoor van kwaad!’
Wat een zuivere beschrijving van het wezen van God! Wat geeft Mozes een duidelijk beeld weer van het karakter van onze God en Vader: zo onveranderlijk als een rots! Mozes weet: mensen en tijden kunnen veranderen, maar God verandert nooit! Hij is en was dezelfde en zal altijd dezelfde blijven. Zijn werk en zijn plan zijn volkomen. Hij is een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig! Kortom een volkomen betrouwbaar God, waarvan we enkel het goede kunnen verwachten.
God maakt Zich een Naam!
In 2 Samuel 7:23 lezen we dat God Zich een volk heeft vrijgekocht ‘om Zich een Naam te maken’. God heeft Israël vrijgekocht om te laten zien wie Hij is en dat Hij zijn belofte aan Abraham en zijn zaad niet vergeten is:
‘God zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen aan Christus. In Jezus behoren wij ook tot het geestelijk zaad van Abraham en zijn wij naar de beloften erfgenamen’ (Gal. 3:16 en 29).
Zo heeft God ook ons vrijgekocht uit de macht van satan, om de wereld – door ons heen – te laten zien wie Hij is. God maakt Zich een Naam in hemel en op aarde door ons in te zetten in zijn herstelplan, door zijn Naam, zijn wezen aan ons volkomen te openbaren en bekend te maken wat wij van Hem mogen verwachten.
Het wezen van God vasthouden!
In Hebreeën 1:3 wordt van Jezus gezegd dat Hij de afstraling is van Gods heerlijkheid ‘en de afdruk van zijn wezen’. Jezus droeg het wezen van God in Zich. God had Zich volkomen aan Hem geopenbaard en daardoor wist Jezus wat Hij van zijn Vader kon verwachten: herstel en genezing, ja, enkel het goede en het volmaakte (Jac. 2:17).
Het Griekse woord ‘upostasis’ dat in dit vers vertaald is met ‘wezen’, vinden we terug in hoofdstuk 3:14:
‘Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen (‘upostasis’), blijven we deelgenoten van Christus’.
Het NBG heeft ‘upostasis’ vertaald met ‘aanvankelijk vertrouwen’. De Statenvertaling geeft een andere en mijns inziens een betere vertaling:
‘Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vasthouden’.
Nu zegt de Hebreeënschrijver in vers 12 dat we er op moeten toezien dat we niet afvallen van de levende God. We moeten ons vasthouden aan God, zijn wezen, zoals Hij Zich geopenbaard heeft door Jezus Christus. Als er dan staat:
‘Wij hebben deel gekregen aan Christus’,
betekent dit: aan zijn wezen. Zegt Petrus niet in zijn tweede brief (hoofdstuk 1 vers 4) dat wij deel hebben aan de goddelijke natuur, wat we ook mogen vertalen als: goddelijk wezen? Als we deze belofte – dat we het wezen van God in ons (leven) mogen (uit-)dragen – loslaten, dan vallen we af van de levende God en zijn we niet meer verbonden met zijn wezen, en wat daaruit voortkomt: her-stel, vernieuwing en genezing van ziel, geest en lichaam! Daarom zou een betere vertaling zijn:
‘Want wij hebben deel gekregen aan Christus (aan zijn wezen), mits wij van het begin tot het einde het wezen (en hetgeen hieraan verbonden is) onverwrikt vasthouden’.
Wij hebben pas echt volkomen deel aan Christus als wij óók vasthouden aan het wezen van God, wie Hij is (enkel goed) en wat we van Hem verwachten mogen.
In het boek Openbaring wordt van een aantal gemeenten gezegd:
‘ …. U houdt vast aan mijn Naam (dus: aan mijn wezen) en hebt het geloof in mij niet verloochend’, (2:13) en: ‘…. Maar u hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend’ (3:8).
Dit is het geheim van de gemeente: zij houdt vast aan het wezen van God, dat door Jezus aan ons geopenbaard is. Zij houdt vast aan de verwachting, dat God zijn beloften zal waarmaken aan hen die in Jezus Christus tot het zaad behoren!