Gaven voor de gemeente
De belofte van de Vader
Pinksteren. Op onze kerkelijke kalender is het weer zover. We vieren deze maand Pinksterfeest’ Traditiegetrouw staan we in deze meimaand stil bij wat tweeduizend jaar geleden in Jeruzalem gebeurde – hoe de Geest daar werd uitgestort. Pinksteren is een herdenkingsfeest, ongetwijfeld. Maar het is meer. Het is een ervaring, een persoonlijke beleving bestemd voor elk van Gods kinderen, voor vandaag. Pinksteren is het ontvangen van Gods gave, de ‘belofte van de Vader’, de Heilige Geest Zelf. Pinksteren beleven is verrast worden door een veelheid van ‘geestesgaven’ die de goddelijke Helper met Zich brengt. Instrumenten waar men in Gods Koninkrijk mee uit de voeten kan – tongentaal om de Heer te aanbidden en groot te maken, profetie om de gemeente te stichten, woorden van wijsheid en kennis om moeilijke situaties het hoofd te bieden, geloof dat bergen verzet, gaven van genezing, krachten, wonderen en tekenen die de wereld laten zien dat Jezus leeft….
De gekroonde Heer
Pinksteren is ook de bekroning van Pasen. Het goddelijke zegel op het volbrachte werk van onze Heer. Pinksteren is dan niet zozeer het ‘feest van de Heilige Geest’, zoals men wel zegt. Pinksteren is het feest van onze verheerlijkte Meester Zélf. De komst van de Trooster heeft immers slechts één doel: Jezus te verheerlijken. Hij staat dan ook bij het pinkstergebeuren centraal. Dat hebben ook de gelovigen op de pinksterdag herkend. Pinksteren was voor hen het bewijs dat de opgevaren Heer nu ook rechtmatig op Gods troon had plaatsgenomen. Als Petrus de achtergronden van het pinkstergebeuren verklaart, stelt hij dan ook:
‘Jezus is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft Hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort’ (Hand. 2:33).
Gaven, maar ook bedieningen
Ook de apostel Paulus komt op de openbaring van Jezus’ heerlijkheid op de pinksterdag terug als hij stelt:
‘Daarom staat er: Toen Hij opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en schonk Hij gaven aan de mensen’ (Ef. 4:8).
Welke gaven mogen dat wel zijn? Het woord dat de apostel hier bezigt, betekent letterlijk: geschenken. Wat zijn deze goddelijke geschenken, en aan wie worden ze gegeven? De apostel laat er geen twijfels over bestaan als hij specificeert:
‘En Hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren’ (Ef. 4:11).
Het zijn niet alleen de ‘gaven van de Geest’ die de Heer op de pinksterdag aan zijn kinderen meedeelt. Hij schenkt bedieningen – ménsen die door de Heer – inderdaad dankzij de Geestesgaven die in hen werkzaam zijn – aan de ge-meente worden toevertrouwd.
Diezelfde gedachte brengt Paulus ook in zijn brief aan de Korintiërs naar voren. Als hij spreekt over de veelheid van de gaven van de Geest die de Heer onder zijn kinderen werkt, heet het:
‘Er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt’ (1 Korintiërs 12:6).
In Gods Koninkrijk speelt echter ook nog iets anders:
‘En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars …. ‘
God geeft ménsen. Zij vormen de goddelijke geschenken die dankzij het pinkstergebeuren aan de gemeente worden toevertrouwd. Pinksteren op zijn juiste waarde schatten, betekent dan ook niet alleen zoeken naar de geesteswerking in eigen leven, maar óók het herkennen en erkennen van de speciale plaats die de Heer sommigen toebedeelt. Pinksteren aanvaarden betekent het erkennen van gaven, maar ook van bedieningen!
Dienen of heersen?
Over het algemeen heeft men het hier wat moeilijk mee. Er is geestelijk inzicht nodig om de ‘bedieningen’ te herkennen die de Heer in de gemeente gelegd heeft. Misschien is het de manier waarop onze maatschappij in elkaar zit, die ons hierbij parten speelt. In de organisatiestructuren waarmee we in ons dagelijks leven te maken hebben, gaat het vooral om de plaats die ons wordt toegekend, de positie waarin we ons kunnen doen gelden. In Gods Koninkrijk is het net andersom: Het is helemaal niet nodig dat Gods kinderen zich eerst een speciale positie verwerven waarmee zij dan aan de slag kunnen gaan. De Heer verrast ze met bekwaamheden om te dienen.
In zijn Rijk is het niet de positie die onze werkzaamheden bepaalt, maar het is de dienst die we verrichten waardoor onze plaats wordt herkend. Niemand minder dan onze Meester Zelf heeft ons daar duidelijk op gewezen:
‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun machtmisbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn’ (Matth. 20:25-27).
Dit betekent dat Gods kinderen zich weinig zorgen hoeven te maken over de ‘erkenning’ die zij in de gemeente zouden moeten ervaren. Het ‘gezag’ dat men voor de dienst in Gods Koninkrijk nodig heeft, komt niet van mensen, maar van de Heer Zelf. Hoe vaak wordt tegen dit principe onder ons niet gezondigd? Hoevelen wachten niet gelaten af tot hen in de gemeente een bepaalde verantwoordelijkheid wordt gegeven, voordat men aan de slag durft te gaan. Hoevelen vechten niet krampachtig om zich officieel een plaats te verwerven vanuit de gedachte dat zij pas dan uit de verf zullen kunnen komen.
Gods strategie: mensen
In plaats van te denken in starre structuren waarin ieder afzonderlijk de openlijke erkenning ontvangt waarop hij recht meent te hebben, zouden we meer oog moeten krijgen voor de strategie die de grote Schaakmeester in zijn rijk ontwikkelt. Elk van zijn ‘stukken’ verleent Hij een bepaalde waarde door de gaven en talenten waarmee Hij ze begiftigt voor het dienen van zijn doelstellingen. De bekwaamheid voor een bepaalde taak is zijn werk, zij komt niet van mensen.
Om wat voorbeelden te noemen: Je wordt geen evangelist, doordat de gemeente je daartoe aanstelt, maar doordat de goddelijke bewogenheid met het verlorene en de wijsheid om hen te bereiken in je werkzaam worden. Men wordt geen ‘profeet’ door een speciale ‘aanstelling’ in de gemeente, maar door de zalving en inspiratie waarmee men door Gods Geest werd verrijkt. Kortom, het is niet door de publiekelijke erkenning dat men in een bepaalde bediening werkzaam kan zijn, maar door de gaven die God Zélf voor een bepaalde dienst toevertrouwt.
Goddelijke leiding
Het mooie van Gods strategie is bovendien dat Hij niet alleen bekwaamheden schenkt, maar ook de omstandigheden van ons leven zodanig leidt, dat deze optimaal gebruikt kunnen worden. God stelt zijn stukken zodanig op dat zij een maximaal effect sorteren. De veel gehoorde klacht onder gelovigen dat de leden van de gemeente nu eens de plaats gegund moet worden die ze toekomt, geeft blijk van een totaal onbegrip van hoe God zijn werk volvoert. De Heer zorgt Zélf voor de plaats die zijn ‘stukken’ in moeten nemen. Wie zich onder de leiding van Gods Geest stelt, zal altijd dát werk vinden, waarin hij zich volledig ontplooien kan! Gefrustreerde gelovigen met gaven waarmee ze niet uit de voeten zouden kunnen, moeten eens oog gaan krijgen voor de gelegenheden die de Heer hun biedt om nuttig te zijn!
Plooibaarheid
Tot slot dit: Gods plannen met zijn ‘gaven aan de mensen’ zijn flexibel. Hij kent in zijn goddelijke strategie hun nu eens deze dan gene plaats toe. Niemand hoeft zich krampachtig aan de ‘speciale bediening’ die hij kreeg toevertrouwd vast te klampen alsof zijn leven daarvan afhing. Misschien heeft de Heer wel voor een bepaalde fase in zijn leven een andere bediening in petto. Deze geestelijke souplesse zien we ook onder de eerste christenen. Een Paulus wordt apostel genoemd – overigens niet vanwege ménsen, maar door de aanstelling die van God Zélf kwam. Maar hij staat ook als herder en leraar te boek. Dit was ook het geval met zijn reisgezel Silas – ook deze werd onder de apostelen gerekend, maar toch stond hij ook als profeet bekend. En vergeet de ‘diaken’ Filippus niet, die ook als volwaardig evangelist erkenning genoot!
Dienstbetoon
Het wordt tijd dat we oog krijgen voor de ‘pinkstergeschenken’ die de Heer in het kader van zijn strategie meedeelt. Wie Pinksteren optimaal ervaren wil, zal niet alleen de gaven van de Geest moeten ontvangen, maar ook moeten ontdekken wat de taak is die de Heer Zélf hem in zijn grote plan wil toevertrouwen. En er dan in gaan staan. Niet om te heersen, maar om te dienen:
‘Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt. Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Want zo doet u alles tot eer van God …. ‘ (1Petr. 4:10,11).
Pinksterfeest vieren betekent zelf gaven ontvangen, maar zich ook als geschenk aan Gods gemeente laten geven!