Persoonlijk Pinksteren 2

 

(Vervolg van deel 1)

Herkenning en teleurstelling 

Soms waaien uit een geestelijke hoek waar je het niet van verwachten zou, klanken over die je bekend voorkomen. Het bezorgt je een schok van blijde herkenning. God is groter dan je dacht. Ook anderen zijn blijkbaar van dezelfde waarheid bezield. Vaak volgt echter op zo’n eerste, aangename kennismaking een niet verwachte teleurstelling. Men spreekt weliswaar dezelfde taal, maar blijkt dit toch uit twee totaal verschillende denkwerelden te doen. Men zegt hetzelfde, maar bedoelt toch iets volkomen anders.  Iets dergelijks gebeurt rondom de Heilige Geest. Je ontmoet mensen die over de noodzaak van een dieper werk van de Geest spreken. Het ‘klikt’ onmiddellijk. Je wilt immers ook niets liever dan dat. Al gauw blijkt men echter reserves te hebben, die je niet delen kunt. Men wil wel meer van de Geest ervaren, dat wel. Meer zondebesef, verootmoediging, reiniging, toewijding en geestelijke vitaliteit onder invloed van Goddelijke Geesteskracht, maar meer ook niet. Alsjeblieft geen extremiteiten als tekenen en wonderen, visioenen en profetieën, geestesgaven en krachten. Dat zijn dingen die totaal onbelangrijk, zo niet levensgevaarlijk, zijn. Bijzaken die bovendien al lang werden achterhaald: de Geest mag dan vroeger zo hebben gewerkt, vandaag aan de dag doet Hij het zó beslist niet meer. 

Je kunt de Heilige Geest bedroeven, je kunt Hem weerstaan, tegen Hem rebelleren. Je komt Hem in de Bijbel tegen als Gods Geest die actief denkend en handelend optreedt: Hij argumenteert met zondaren, overtuigt van zonde, getuigt van Christus. Hij onderwijst, leidt, troost, komt ons in onze zwakheden te hulp.

‘Dit nu is het eeuwige leven’, bad Jezus, ‘dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus’ (Joh. 17:3).

We zullen de Vader moeten leren kennen en de Zoon ook. Maar de Heilige Geest? Over Hem wordt in het geheel niet gesproken. Jezus noemde de Geest dan ook ‘de pleitbezorger, de Heilige Geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden’ (Joh. 14:26). De Heilige Geest treedt niet zelfstandig handelend op, maar in de naam van Jezus, gezonden door de Vader. Sprak Jezus over de komst van de Geest:

‘Wij, de Vader en Ik Jezus, zullen bij hem komen en bij hem wonen’ (vers 23).

De Geest zou in zijn bediening helemaal afhankelijk van de Vader en de Zoon zijn:

‘Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar Hij zal zeggen wat hij hoort’ (Joh. 16 : 13). 

Gods Geest handelt niet zelfstandig, maar geeft uitdrukking aan het wezen en de bedoelingen van onze God. In verband met Jezus’ wonderdaden wordt de Geest in het Nieuwe Testament dan ook als ‘de vinger van God’ (Luc. 11:20), of als ‘de arm van de Heer’ (Joh. 12:37,38) aangeduid. Zoals in Bijbelse tijden het werk van Jezus gestalte gaf aan het wezen van de Vader, zo zal Gods Geest dat in onze tijd aan het wezen van Jezus doen. 

Wie is Jezus? 

Wat heeft dit nu te maken met de vraag, hoe de Geest in onze dagen werken wil? Alles! ‘God heeft het volste recht om door zijn Geest tegenwoordig anders te werken als in vroeger dagen’, denkt men soms. ‘De Heer is immers soeverein, Hij doet wat Hij wil’. Men ziet echter de implicaties van deze stelling niet. Het werk van de Geest geeft immers slechts uiting aan het werk en het wezen van Jezus. Zou Deze in onze tijd naar de aarde komen, dan zou Hij volgens de gedachte van velen geen zieken genezen, geen duivelen uitdrijven, kortom, zijn bediening zou alle bovennatuurlijke elementen missen, die men vandaag aan de dag niet meer aan de Geest meent te mogen toeschrijven. We zouden een totaal andere Jezus te zien krijgen. 

‘Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde en tot in eeuwigheid’ (Hebr. 13:8), zegt de Bijbel echter. Een kind begrijpt dat het hier niet om het onveranderlijke van God als een op zichzelf staand gegeven gaat. Het gaat hier om Gods onveranderlijke relatie tot de mens. In Jezus Christus, zoals God Zich aan de mensheid door de door Hem gezalfde Redder heeft geopenbaard, is Hij dezelfde. Hoe God in de wereldgeschiedenis ook werkt, dit zal altijd corresponderen met het beeld dat Jezus te zien heeft gegeven. In feite raakt dit het hart van het evangelie. Johannes schrijft over het criterium waar men de Geest van God en die van de antichrist aan zal kunnen herkennen:

‘Iedere geest, die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God’ (1 Joh. 4:3).

Belijdt men dat leven en handelen van onze Redder een exacte uitbeelding van het karakter en de bedoelingen van God vertegenwoordigen? Gelooft men dat Hij de ‘afstraling van zijn heerlijkheid’ is, de ‘afdruk van zijn wezen’, zoals de Hebreeënschrijver het plastisch stelt? (Hebr. 1:3). Jezus’ leven is erop gericht geweest te laten zien wie God was, en wie zijn Vader, de onveranderlijke, altijd zijn zal.  

Het lichaam van Christus 

Het wezenlijke van de zaak is: ‘Heeft Jezus een perfect beeld van het wezen van God gegeven of niet? Is zijn vleeswording, zijn leven hier op aarde van wezenlijk belang? Geeft de mens Jezus in zijn handel en wandel uitdrukking aan Gods bedoelingen met de mens? Het verbijsterende is dat men Jezus in dit opzicht verwerpt. Hij mag dan voor vele orthodoxe christenen de redder van de wereld zijn, die door zijn kruisdood verzoening voor de zonde verwierf, maar het leven dat aan die dood vooraf ging, acht men niet relevant. Dat Jezus ‘rondgegaan is, weldoende, en allen genezende die door de duivel overweldigd waren’ (Hand. 10:38) is voor hen slechts een niet ter zake doende bijkomstigheid. Wat een tragedie! Dit ademt de geest van de antichrist, en men beseft het niet eens. Jezus Christus is in het vlees gekomen door zijn gemeente, die zijn lichaam is. 

Spreken wij over het ‘lichaam van Christus’ dan zijn wij gewend dit in subjectieve, spirituele zin te doen. We spreken in dit verband graag van het ‘mystieke’ lichaam van Christus. De Bijbel kent dit spraakgebruik echter niet. Hij spreekt over de gemeente van Christus veeleer alsof Gods kinderen heel concreet het lichaam van Christus vertegenwoordigen en daar praktisch en reëel gestalte aan geven. Verwijzend naar on-zedelijkheid in het leven van gelovigen, merkt Paulus bijvoorbeeld op:

‘Maar bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam’ (1 Cor. 6:13).

Waarom wordt hier gesteld dat het lichaam er voor de Heer is? Omdat het lichaam van een gelovige heel concreet het lichaam van Christus vertegenwoordigt. Paulus vervolgt dan ook:

‘Weet u niet dat uw lichaam een deel is van het lichaam van Christus? Zou ik dan van de delen van zijn lichaam de lichaamsdelen van een hoer maken? Dat nooit!’ (vers 15). 

Paulus laat zich in dezelfde zin uit, wanneer hij spreekt over de ‘littekenen van Christus’ die hij in zijn lichaam draagt (Gal. 6:17) en over het fysieke lijden onder vervolgingen, waardoor hij in het vlees aanvult wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus (Col. 1:24). Als de geselslagen, de stenen, de stokslagen op het lichaam van de apostel neerdalen, probeert de vijand, daarmee het lichaam van Christus te raken. Heel concreet en reëel. Gods kinderen vertegenwoordigen hun Meester niet alleen in spirituele, maar ook in fysieke zin. Wezenlijk verschil tussen beide is er niet. Zij vormen een onafscheidelijke eenheid, zoals ook man en vrouw in het huwelijk één lichaam vormen (Ef. 5:29). 

De Geest: Christus in u 

Jezus Christus is in deze wereld present door zijn gemeente. Het werk van de Heilige Geest komt hierdoor vast te liggen. Hoe Deze in de gemeente ook werkt, Hij zal altijd gestalte geven aan Jezus, zoals Hij zich tijdens zijn aardse bestaan geopenbaard heeft. Het is daarom niet verwonderlijk dat Paulus bij zijn uiteenzettingen van het werk van de Geest, juist het gegeven van het lichaam van Christus op de voorgrond plaatst. De werkingen van de Geest in de gemeente zijn uitingen van het werk dat Jezus door zijn lichaam op aarde realiseert. Waar de Geest werkzaam is, beginnen Gods kinderen te functioneren als de mond, de ogen, de handen, de voeten van Christus. Kortom, zij realiseren samen in veelvoud wat Jezus zélf gedaan zou hebben. Jezus heeft dit tijdens zijn leven al aangekondigd: 

‘Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader’ (Joh. 14:12).  

Jezus ging tot de Vader, zodat Hij de Geest zou kunnen zenden door wie zijn volgelingen het lichaam van Christus zouden gaan vormen en de werken verrichten, die Hij zélf gedaan had. We komen op ons uitgangspunt terug: mogen we in onze tijd de bijzondere werken van de Geest verwachten, zoals we die bij Jezus en de apostelen zien? Het antwoord moet bevestigend zijn. De wonderen zijn geenszins de wereld uit. Integendeel, ze horen zelfs bij het wezenlijke van de zaak. We kunnen ze niet verwerpen zonder ook Jezus zélf af te wijzen. Laten we Hem daarom aanvaarden, zoals Hij zich in onze dagen nog steeds door zijn Geest aan ons openbaren wil. Laten we de Geest de ruimte geven, zodat Jezus tot zijn doel kan komen. Laten we, als de apostel Paulus, niet alleen een gekruisigde Christus prediken, maar bovenal Christus zélf: 

‘de kracht van God en de wijsheid van God, onder ons geopenbaard door de Heilige Geest,’ (1 Cor. 1:24)