Persoonlijk Pinksteren 1

 

Een nieuw begin 

Voor wie geestelijk oren en ogen heeft, is het geen vraag meer: God is aan het werk in onze tijd. Ondanks het satanische geweld waarmee de wereld van vandaag wordt overspoeld. Juist nu onze samenleving op springen staat en aan haar eigen (on)deugden ten onder dreigt te gaan, begint God in te grijpen. Dwars door de geestelijke luchtvervuiling van het hedendaagse morele verval heen, waait een frisse wind. De Heer is bezig zijn Geest uit te storten. Eeuwenoude profetieën gaan met goddelijke precisie in vervulling:

‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest over jullie zal uitstorten’.

Dat gebeurt nu. Het wordt weer als in het begin. Pinksteren keert weer terug! De geschiedenis van de gemeente van de Heer eindigt zoals ze begonnen is: Gods kinderen worden gedoopt in de Heilige Geest en spreken in tongen zoals de apostelen op de Pinksterdag. Hun geestelijk leven wordt vernieuwd. Armoede maakt plaats voor rijkdom. Dorheid en doodsheid voor sprankelend leven en waarachtige blijdschap. Is het een wonder dat velen die nog geen persoonlijk Pinksteren beleefden, naar deze ervaring verlangend worden gemaakt? Dat ze, als het publiek op de Pinksterdag, komen met de vraag: ‘Wat moeten wij doen, mannen broeders?’ 

Hulp nodig? 

Het is op deze vraag dat we hier antwoord willen proberen te geven. We willen de weg wijzen aan hen, die oprecht zoeken naar pinksterkracht waardoor hun geestelijk leven op een ander niveau kan worden gebracht. Sommigen zullen zich misschien afvragen of dat nu wel zo nodig is. God is soeverein, vinden ze. Als Hij iemand zijn Geest wil geven, doet Hij dat toch wel. Onze hulp heeft Hij daar niet bij nodig. Dit is echter nog de vraag. Vaak wil God mensen bij zijn werk inschakelen. Neem bijvoorbeeld de redding en de vergeving van zonden. God neemt daarbij het initiatief. Maar de mens mag meewerken. Het was Jezus die stierf voor de zonden van de hele wereld, maar het is de mens die de wereld in moet gaan om haar van die zondevergeving te vertellen: 

‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered. Maar hoe kunnen ze hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt?’ (Rom. 10:13,14)  

Hetzelfde principe geldt voor het ontvangen van de Heilige Geest, schrijft Paulus aan de Galaten:  

‘Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven?… Geeft God u de Geest en goddelijke krachten omdat u de wet naleeft? Of geeft Hij ze omdat u naar Hem luistert en op Hem vertrouwt?’ (Gal. 3:2,5)  

Het antwoord is dat Gods Geest over deze mensen werd uitgestort als gevolg van de verkondiging. Op één van zijn zendingsreizen ontmoet Paulus in Efeze enkele gelovigen. Hij mist blijkbaar iets in hun geestelijk leven en vraagt of ze de Heilige Geest wel ontvangen hebben. Het verbaasde antwoord is:

‘We hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is’ (Hand. 19:2).

De apostel doopt deze mensen dan in water en bidt vervolgens dat ze de Geest ontvangen mogen:

‘En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest over hen’ (Hand. 19:6). 

Feilbare formules 

Neen, wij twijfelen er niet aan: prediking en instructie zijn middelen om een doorbraak van Gods Geest voor te bereiden. Waar inzicht ontstaat in het hoe en waarom van de doop in de Heilige Geest en men zich dienovereenkomstig instelt, daar kan God aan het werk gaan. Vele oprechte gelovigen, die jarenlang vergeefs zochten naar een dieper werk van Gods Geest, zagen we als antwoord op een duidelijke voorlichting in deze materie tot een geestelijke doorbraak komen. Eigenlijk is het doorgaans niet eens een gebrek aan kennis en inzicht dat Gods werken in de weg staat. Het zijn vaak onze verkeerde voorstelling van zaken en ons vooroordeel die ons parten spelen. Vaak hebben we bepaalde persoonlijke gedachten van hoe de Geest moet werken. Onbewust dammen we daardoor de stroom van Gods kracht af als ze niet precies in de bedding van onze menselijke voorstelling stroomt. 

Bij al onze dankbaarheid voor een scherpomlijnd inzicht in het werk van de Geest, blijft echter voorzichtigheid geboden. Onze haarscherpe formuleringen zouden wel eens aan hun eigen deugden ten onder kunnen gaan. Het gevaar dreigt namelijk dat we wel naar de letter volkomen Bijbelse opvattingen over de pinksterervaring hebben, maar toch de eigenlijke geest van dit gebeuren niet onderscheiden. Waar het menselijk aandeel in het ervaren van Gods kracht wordt geaccentueerd – ons geloof, onze instelling, de juiste manier van bidden – is het verleidelijk ook de mens volkomen in het middelpunt te zetten. Het wordt dan een zaak van het juiste hanteren van de juiste formules. Van het beleven van een ‘ervaring’ – één van de vele die zo nu en dan voor een geestelijke ‘kick’ moeten zorgen, die wat fleur moeten brengen in de starheid van het geloofsleven. 

Het is tragisch om gelovigen tegen te komen die zich blijkbaar door het consequent toepassen van een overigens Bijbels onderricht met bekwame spoed de ‘ervaring’ eigen hebben gemaakt, maar er toch ergens volkomen koud onder gebleven zijn. De zegen die ze ontvingen mag echt geweest zijn, maar het heeft hun diepste wezen niet geraakt. De Heer heeft geen gelegenheid gekregen hun totale levensinstelling te veranderen en hen op een ander geestelijk niveau te brengen. 

Pinksteren in goddelijk perspectief 

Willen we de doop in de Heilige Geest recht doen, dan zullen we deze ervaring tegen de achtergrond van ons totale leven moeten zien. De vraag die zich dan aan ons opdringt: wat wil God met mijn leven en hoe past het pinkstergebeuren in dit grote geheel? Volgens sommigen ligt het antwoord nogal voor de hand: God is er voor ons. Hij wil ons redden, ons naar de hemel brengen en ons voor een eeuwig verloren-zijn bewaren. Voor enkelen blijft het daar bij. Anderen steken echter naar diepere wateren af. Ook nu al, in dit leven, wil God ons iets van de hemel laten zien. Hij wil meer geven dan redding alleen: genezing, bevrijding, overwinning over de zonde. In het verlengde van die overtuiging ligt dan de pinksterervaring. Door de kracht van Gods Geest in ons zal dit alles gerealiseerd moeten worden. Nu lijdt het geen twijfel of de Heer wil dit allemaal voor ons doen, maar toch wordt het tijd de zaken eens vanuit het grotere geheel te gaan zien. Neem de redding. ‘Als de mens maar behouden wordt’, is onze grootste zorg. Paulus zag dit probleem vanuit andere perspectieven: Als Gód er maar voor gedankt wordt. In zijn prediking ging het niet om ‘de redding van verloren zielen’, maar ‘dat de heidenen God gaan verheerlijken vanwege Zijn ontferming ‘ (Rom. 15:9). Dat is de zaak vanuit Gods kant bezien. Niet wat de mens ontvangt, maar wat Gód ontvangt – aan dankbaarheid en lofprijzing – staat centraal. 

Ook Pinksteren zullen we vanuit dit perspectief moeten gaan bezien. Doorgaans letten we slechts op wat Pinksteren óns te bieden heeft: blijdschap, kracht, overwinning. In feite gaat het daar echter niet om. Het gaat om wat Gód aan de openbaring van zijn kracht in ons leven heeft. In dit verband bidt Paulus de gemeente toe dat ze zal gaan zien

‘hoe rijk de heerlijkheid is van Zijn erfenis bij de heiligen en hoe groot de krachtige werking van Gods macht is voor ons die geloven’ (Ef. 1:19).

Doorgaans betrekken we dit uitsluitend op onszelf, op Gods kracht in ons leven, op wat de pinksterervaring óns te bieden heeft. We konden de plank echter niet verder mis slaan. Paulus spreekt hier over wat Pinksteren voor Gód te betekenen heeft. Dáár moeten onze ogen voor open gaan: voor de heerlijkheid van Zijn(!) erfenis in de heiligen. We moeten gaan ontdekken wat God allemaal aan heerlijkheid in ons geïnvesteerd heeft met het ver-langen daar zelf het volle rendement van te genieten. Pinksteren is Góds erfenis, niet de onze. Het doel van Pinksteren is niet onze heerlijkheid, maar de Zijne. 

Hier is het nu dat we gemakkelijk mank gaan. De uitstorting en de werking van Gods Geest in ons leven worden zo gauw tot doel op zichzelf. Hoe gemakkelijk komen wij niet in het middelpunt van het gebeuren te staan, terwijl de Heer het toekijken heeft! Is het een wonder dat het leeg in ons blijft en de kracht van Pinksteren ondanks onze ‘ervaringen’ in ons leven niet volledig kan doorwerken? 

Zuivere drijfveren 

Wie Pinksteren zoekt, zal zich daarom moeten afvragen waar het hem om te doen is. Wat zijn de drijfveren waarom hij zo intens naar Geesteskracht verlangt? Staat Gód en de voldoening die Hij door ons leven ontvangt, centraal? Of moet de kracht die we zoeken óns juist dienen en ons wat minder afhankelijk van Hem maken? Dit laatste nu is een heel reële mogelijkheid. Pinksteren belooft immers kracht, het belooft ons sterk te maken. En de sterkte die God in ons legt, impliceert – dat denken we tenminste – een zekere mate van onafhankelijkheid. Het is geen wonder dat we elkaar telkens weer toeroepen dat we vooral uit de kracht die God ons gegeven heeft, moeten gaan léven. Als we Pinksteren eenmaal doorleefd hebben in een machtige eerste ervaring, moeten we er nodig iets mee gaan doen. Vanaf dat moment is de Geest immers in ons. En waar de Geest in ons is, beschikken we ook over alle gaven en krachten die deze bewerken wil. Het is slechts kwestie deze gaven te gaan gebruiken, een zaak van handelen in geloof. Werken met wat we hebben. 

In feite laten we ons echter strikken door een fout die zo oud is als de zonde in het paradijs. God plantte daar namelijk twee bomen, die Adam – en daarmee de gehele mensheid – voortdurend een belangrijke les wilden leren. Beide bomen vertegen-woordigden twee verschillende levensprincipes waar de mens voortdurend een keuze tussen moet maken. De boom van kennis van goed en kwaad sprak van de mogelijkheid zich van God los te maken, van onafhankelijk zijn en je kracht in jezelf te zoeken. Deze boom was ‘aanlokkelijk, met heerlijke vruchten’. En verstandige mensen weten waar het op aan komt. Verstandige mensen kunnen beslissingen nemen, zij kunnen onafhankelijk zijn. De boom van het Leven leerde een andere les: die van af-hankelijkheid aan het leven dat God te schenken heeft. 

Adam heeft zijn les niet geleerd. Hij koos bewust voor de onafhankelijkheid door van de eerste boom te eten. Het komt ons voor dat velen die naar de kracht van Gods Geest zoeken (onbewust) vaak deze les óók nog niet geleerd hebben. Waar ze zich zo naar Gods kracht in hun leven uitstrekken, is het, doordat diep in hun hart de verwachting leeft dat ze daardoor sterker, krachtiger en daardoor minder afhankelijk zouden kunnen worden. We konden ons niet erger vergissen. De meest intense beleving van de Geestesdoop maakt ons niet tot geestelijke krachtpatsers, die het zélf wel klaren kunnen. De kracht die God geeft, is niet van ons, zij vertegenwoordigt geleend goed. Slechts zolang we in bewuste gemeenschap met onze Heer leven, zal zij werkzaam zijn. Langer niet. Laten we dit, bij ons zoeken naar kracht, voor ogen houden, zodat de volle zegen van Pinksteren in ons leven door kan breken.

Lees verder