Heer én Koning
Geloochend door kanttekeningen, Scofield-‘bijbel’
In een studie van Sidney Wilson over ‘De tabernakel’ werd het onderwerp behandeld dat Jezus niet alleen Heiland en Verlosser is, maar bovenal Heer en Koning. Dat Jezus nu Koning is, wordt helaas in Maranathagroepen, Bedélingen-‘leer’ kringen en zelfs in Pinksterkringen, veelal op grond van de kanttekeningen van de Scofieldbijbel, geloochend. Men leert daar dat de term ‘Koninkrijk der hemelen’ een zogenaamde dispensational-uitdrukking is. Zij zou betrekking hebben op de bedéling van zijn aards messiasschap. Dit Koninkrijk werd eenmaal door Johannes de Doper en door Jezus zelf aangeboden, maar door Israël verworpen en daarom uitgesteld totdat Christus zou wederkomen om voor Israël het Koninkrijk op te richten. Als leden van de gemeente zouden wij dus niet mogen belijden, dat Jezus onze Koning is!
Sidney Wilson leert dat Jezus allereerst als Koning moet worden aanvaard en dan pas als verzoener van de zonde. Hij neemt als beeld het binnengaan van de tabernakel. Eerst moest men door de poort en kwam vervolgens in de voorhof. Men bevond zich dan in het machtsgebied van de troon die in het allerheiligste stond. Zo komt men bij het passeren van een grens in het domein van een regering, van wie de zetel in de hoofdstad is gevestigd. Nadat men dus zich onder het koningschap van God heeft gesteld, wanneer men de poort doorgaat, kan men bij het altaar komen, dat van verzoening en verlossing spreekt. Wij zullen dus eerst Christus als Heer moeten verkondigen. Wij citeren nu het volgende:
‘In Mattheüs staat het zo: ‘Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’, dus niet: ‘Bekeer u, want de vergeving is nabij gekomen’, maar iets veel groters : ‘Bekeer u, want de beheersing van omhoog is nabij gekomen’.
Het is zo ongelooflijk jammer, dat in zoveel evangelieprediking het voornaamste, het Koninkrijk wordt weggelaten. Het is bijzonder de moeite waard om de Handelingen door te lezen en te zien, hoe het evangelie toen verkondigd werd en Christus’ Koningschap voorop werd gesteld.
In Handelingen 2 lezen wij: ‘Eén. . . op zijn troon te doen zitten’. ‘. .. door de rechterhand Gods verhóógd’. ‘. . . tot Here en tot Christus gemaakt’. ‘. . . God. . . heeft. . . Jezus verheerlijkt’. ‘. . . : die. . . tot hóeksteen is geworden’. ‘Verhoogd tot een Leidsman en Redder’. ‘… Jezus Christus. Deze is de Heer van allen’. ‘. Zo kunnen wij doorgaan, maar iedereen die met een open en eerlijk hart de Handelingen leest, zal moeten erkennen, dat het accent toen wel heel anders lag dan nu.
Nu: de dogmatiek van de verzoening. Toen: Jezus Christus als levende Persoon.
Nu: zijn sterven aan het kruishout. Toen: veel meer zijn heerlijke opstanding.
Nu: het feit dat Hij Zaligmaker is. Toen: zijn verheerlijking en heerschappij.
In héél het boek Handelingen is er maar één keer sprake van ‘het bloed van Christus’ en dat niet bij de verkondiging aan buitenstaanders, maar bij die aan de gemeente te Efeze! De dogmatiek van de verzoening werd gegeven aan hen, die reeds tot bekering waren gekomen – daarom vinden we er zoveel over in de zendbrieven!
Diegenen, die in de verkondiging van het evangelie de dogmatiek van de verzoening steeds voorop stellen, plaatsen in feite het altaar buiten de poort! Wie bij het altaar is geweest, zou dan toestemming verkrijgen om de poort binnen te gaan!
Maar zegt iemand: Paulus zegt toch uitdrukkelijk: ‘Ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Die gekruisigd’. Volkomen waar! En in de verkondiging in Handelingen wordt ook niets anders dan ‘Jezus Christus en Die gekruisigd’ gepredikt. Maar dat betekent helemaal niet: de dogmatiek van verzoening, of het hameren op het bloed van Christus.
Natuurlijk moeten we ook over het bloed van Christus spreken – dit is ontzaglijk belangrijk! Maar niet éénzijdig en ten koste van wat het Nieuwe Testament voorop stelt: de geweldige boodschap van het Koninkrijk der hemelen!’
Wij zijn het met Sidney Wilson eens, dat het koningschap van Jezus Christus over zijn volk, dat is zijn gemeente, voorop moet staan. In het fundament van Hebreeën 6 wordt het geloof in God als eerste genoemd. God heeft zijn Zoon een Koninkrijk geschonken. Hij heeft Hem tot Heer én tot Christus gemaakt (Hand. 2:36). Hij is dus gezalfd tot koning en hogepriester. Zijn koningschap in een hemels Koninkrijk zal ieder moeten erkennen, voordat hij zijn toevlucht tot Hem neemt en uit zijn hand de verzoening van de zonde aanvaardt en hierdoor overgebracht wordt uit de macht van de satan tot God en een plaats ontvangt in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Dit Koninkrijk is en blijft echter een hemels Koninkrijk. Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld.
Wanneer in Openbaring staat dat Hij het koningschap over de aarde aanvaard heeft, regeert Hij door zijn heerschappij te vestigen in de harten van de mensen op aarde. Hij zal evenwel nooit als een aardse vorst ergens resideren. Eenmaal zal de aarde geregeerd worden door Jezus Christus met het volk in wie Hij woning heeft gemaakt. Zijn gemeente die met Hem regeert, zal dit ook doen in een hemels of verheerlijkt lichaam, dat zich wel zichtbaar kan manifesteren, maar dat behoort tot de geestelijke wereld en zich daarom kan terugtrekken in de onzichtbare sferen. Dit alles heeft niets uit te staan met een natuurlijk volk Israël van wie het koningschap essentieel is weggenomen… (Matth. 21:43). De minste in het Koninkrijk der hemelen is meer dan de grootste rechtvaardige uit een verbond in de natuurlijke wereld. Vlees en bloed beërven dit Koninkrijk niet! Ook is er niets anders en niets hogers meer. Jezus is Koning tot in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek, dus zonder enige (Joodse) geslachtsrekening.
Er is evenwel iets anders dat broeder Wilson hier niet noemt, namelijk dat de Heer ook zijn gemeente heeft gemaakt tot koningen en priesters. Dit Koninklijke priestergeslacht gaat de weg van het altaar naar het heiligdom. Wij zingen niet alleen: ‘Jezus is Koning, Hij overwon’, maar ook: ‘Ik ben een koning; ik overwin’. Dit laatste door de kracht van de Heilige Geest die in ons woont. Het evangelie van het Koninkrijk moet nog overal gepredikt worden, willen de zonen van God als koningen in de onzienlijke wereld geopenbaard worden. Jezus sprak dat zij macht hadden over het hele leger van de vijand. Het artikel gaat dan verder met het tussenkopje:
‘Evangelie van het Koninkrijk’ en ‘Evangelie van genade’
De verkondiging van de ‘verlossing’ zonder ‘koninkrijk’ houdt vaak verband met een dwaze en wijd verbreide theorie, waarover we iets moeten zeggen.
Die theorie is: dat Jezus toen predikte: ‘Het Koninkrijk der hemelen is nabij’, Hij daarmee aan Israël een aanbod deed van een aards ‘vrederijk’ (duizendjarig rijk) en dat het hier helemaal niet ging om het evangelie dat wij nu kennen! Wanneer nu Israël dit aanbod aanvaard had en Jezus als Koning erkend, zou er een vrederijk zijn gekomen – zonder Kruis!
Dat dit niet mogelijk was, vatten zelfs de voorstanders van deze theorie en daarom zegt men: ‘Jezus kon dat aanbod veilig doen, omdat Hij vooruit wist, dat men er toch niet op in zou gaan!’ In dat geval zou Jezus dus een aanbod hebben gedaan, dat niet bonafide was. Kunnen wij dat van Hem denken? Nee!
Ook wordt in deze theorie onderscheid gemaakt tussen ‘het evangelie van het Koninkrijk’ en ‘het evangelie van genade’. Toen Israël het aanbod van het Koninkrijk verwierp, werd dit uitgesteld tot later en kwam ervoor in de plaats het evangelie van genade.
Het dwaze van dit alles is dit: volgens deze theorie bevatten de evangeliën dus niet het evangelie voor ons, maar dat speciale aanbod aan Israël. Zo weigert men bijvoorbeeld het ‘Onze Vader’ te bidden, want dat is ‘Joods’(!), maar tegelijkertijd benut men toch allerlei teksten uit de evangeliën, zoals bijvoorbeeld Johannes 3:16 als van toepassing op ons. Een volkomen incon-sequentie. Immers, al die teksten die we uit de evangeliën gebruiken bij evangelisatiewerk, zijn gesproken in de tijd dat Jezus het evangelie van het Koninkrijk verkondigde!
Een van de moeilijkheden voor de aanhangers van genoemde theorie is, dat in het laatste vers van Handelingen Paulus nog altijd bezig is het Koninkrijk Gods te prediken! Er is dan ook een stroming (gelukkig maar klein) die zegt, dat de Gemeente van Christus dus na Handelingen 28 ontstaan moet zijn. Dat is in elk geval consequent, maar laat ook zien, tot welke dwaasheden men kan komen. Men verwerpt dan ook héél het Nieuwe Testament als Joods, op Paulus’ laatste gevangenisbrieven na, zoals Efeziërs, Filippenzen, Colossenzen, Timotheüs en Titus!
Maar is dit alles nu wel belangrijk? Ja!, omdat aan duizenden, zelfs honderdduizenden het evangelie van verlossing wordt gebracht, zonder de boodschap van het Koninkrijk. Onze verlossing staat in het middelpunt. De mensen aanvaarden Jezus als Heiland, noemen zich kind van God, verblijden zich later in de hemel te zullen komen, maar heel velen denken er niet aan om héél hun leven onder de heerschappij van Christus te stellen!
Sidney Wilson spreekt over een kleine groep van zogenaamde Bedélingen-‘leer’-experts, die de meeste brieven van Paulus niet erkennen als aan de gemeenten geschreven. Ook de evangeliën worden door hen als een Joodse aangelegenheid beschouwd. Maar wat te denken van het zeer grote, aantal evangelische christenen, maranathagelovigen en pinkster-mensen, die het laatste Bijbelboek ons ontfutselen, terwijl toch uitdrukkelijk in het begin en aan het einde vermeld wordt, dat de Heer de Openbaring aan de gemeenten heeft geschonken (1:11 en 22:16).
Zo schrijft een pinkstervoorganger in een column van ‘Geen uitstel meer’ in navolging van Darby en Scofield, bij Openbaring 4:1 de opmerking:
‘Een tijdperk wordt afgesloten. De ‘gemeente’ komt verder in de Openbaring in Nieuw Testamentische zin voorlopig niet meer voor. Het is alsof zij is opgeslokt, weggenomen of, zoals Johannes ook zelf te horen krijgt, het bevel heeft gekregen: ‘Klimt hierheen op’.
We weten dat eenmaal zo’n bevel zal klinken, waarna de gelovigen in Christus ‘op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht’. Zij komen in de Openbaring pas later zegevierend terug, met Jezus, het Woord van God, die zij volgen op ‘witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen’.
De apostel Paulus schreef eenmaal tot de gemeente: ‘Alles is het uwe… hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe’. Aan de gemeente behoort de toekomst, of wij deze dichtbij en in de tijd stellen waarin de tempel Gods haar voltooiing bereiken zal, of in de eeuwen der eeuwen wanneer de gemeente met Christus in de troon van de Vader zal zijn.
Hier wordt meegedeeld dat de gemeente is ‘opgeslokt’ en van het toneel is verdwenen. Vijftien hoofdstukken van het grote troostboek van de eindtijd worden aan de gemeente ontstolen! Zij komt pas ‘zegevierend’ te voorschijn aan het einde, maar waaruit haar strijd en overwinning bestaat, kan niet meegedeeld worden. De Openbaring zou praktisch alleen voor het natuurlijke Israël en voor de ondergaande wereld van betekenis zijn. Zij zou alléén betrekking hebben op gebeurtenissen in de natuurlijke wereld. Zij zou niet te maken hebben met de zelfopenbaring van Jezus Christus in zijn gemeente vanuit het hemelse Koninkrijk.
Men aanvaardt wel het evangelie ‘óver’ Jezus, gelooft in de vergeving van de zonden, noemt zich kind van God, verblijdt zich erin op een geheimzinnige wijze door de opname ergens eenmaal in de hemel te komen door met de ruimtevaart aller gelovigen een aantal sterren en planeten voorbij te schieten, maar men begrijpt niets van de leer ‘van’ Jezus over het Koninkrijk der hemelen, waardoor geestelijke mensen worden voortgebracht, die nu reeds met Hem in de hemelse gewesten wandelen en strijden, daar hun overwinningen boeken en hun schatten verzamelen.
Wij raden al de Bijbelverklaarders van de Openbaring aan om eerst eens goed het evangelie van Johannes te lezen en dan zijn zendbrieven. Daar wordt niet over een natuurlijk Israël gesproken, maar over de gemeente. Zij zouden eruit kunnen leren dat de woorden van Jezus géést en léven zijn, waardoor de gééstelijke mens gebouwd wordt!