Koning van de Joden?

  

Jezus, de koning van de Joden?

Deze maand vieren wij Kerstfeest en vele christenen houden zich dan onder andere bezig met de horoscooptrekkers uit het Oosten, die de inwoners van Jeruzalem en Herodes in beroering brachten met de vraag:

‘Waar is de geboren Koning van de Joden?’

Was Jezus gekomen om een aards vorstenhuis te herstellen? Ligt het accent van zijn koningschap op aarde of in de hemel? Zijn de gebeurtenissen in het Midden-Oosten een aanwijzing dat de Joden op staatkundig terrein een glorierijke toekomst tegemoet gaan?  

De Knecht van de Heer 

In Jesaja 49:3 spreekt Jahweh tot zijn dienaar, dat deze Jakob naar Hem moest terugbrengen en Israël bij Hem moest vergaderen. Op welke manier moest dit gebeuren? Het antwoord is: door Israël tot bekering te brengen en het als eenheid voor God samen te voegen. Jezus kwam dus allerminst om als koning over de Joden te regeren, maar naar zijn eigen woorden, was

‘de mensenzoon niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Matth. 20: 28).  

God zond Zijn vleesgeworden Woord, om zijn volk tot bekering te brengen en het te vergaderen. Aan het einde van zijn bediening sprak de Heer dat de rebellerende inwoners van Jeruzalem de gewoonte hadden om de gezondenen van de Vader, die hen tot bekering wilden brengen, te doden. Hij constateerde als Knecht van de Heer: 

‘Hoe vaak heb Ik uw kinderen willen ‘vergaderen’, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels ‘vergadert’, en jullie hebben niet gewild’. (Matth. 23:37). 

Bij zijn intocht in Jeruzalem weende Jezus over deze stad en sprak:  

‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu’ (Luc. 19:41,42).  

Zijn prediking over het Koninkrijk der hemelen had hen tot een ongestoord leven met God moeten brengen, maar dit evangelie vond onder hen geen gehoor en de geheimen ervan bleven voor hen ‘verborgen’. Het bijeen verzamelen was mislukt en de Knecht van de Heer kon zeggen:

‘Tevergeefs heb Ik Mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt’ (vers 4).

Hij had wat het natuurlijk volk Israël betrof, gefaald. Israëls Verlosser, zijn Heilige, werd de diep verachte, bij het volk verafschuwde, de knecht van de overheersers (vers 7).

‘Wie geloofde zijn prediking?’ (Jes. 53:1).

Alleen de ‘bewaarden’ of een ‘rest’ uit Israël! (vers 6). Deze Uitgestotene kon echter zeggen:

 ’Ik werd geëerd in de ogen van de Heer en mijn God was mijn sterkte’ (vers 5).

God stelde Hem

‘tot een licht van de volken, zodat zijn redding zou reiken tot het einde van de aarde’ (vers 6).  

Aan het einde van zijn bediening sprak de Knecht van de Heer: Ik heb alles gedaan om Israël tot God te brengen.

‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk tot een einde te brengen, dat U Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voor de wereld was’ (Joh. 17:4,5).

En wat was deze heerlijkheid? De troon van God in het midden of in het centrum van de hemel. Op aarde bleef Hij de Knecht van de Heer. ‘Omdat Hij wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven’, omdat Hij in de vreugde die voor Hem weggelegd was, geloofde, omdat Hij geen frustraties had vanwege de schijnbare mislukking van zijn werk, ‘begon Hij de voeten van de leerlingen te wassen’ (Joh. 13:3-5). Hij kon Zich dit nederige werk permitteren. En iedere heerser in het Koninkrijk der hemelen, iedere koning onder deze Koning en iedere heer onder deze Heer is op aarde dienstbaar om het herstel van de mens.  

Het sluwe spel van de satan 

De duivel speelde in op de verlangens van een aardsgericht volk en doet dit nog steeds met de gedachte dat Jezus Koning van het natuurlijke volk van de Joden zou zijn. Deze dwaling begon al met de voorspelling van de valse profeet Bileam, die te Pethor woonde gelegen aan de Eufraat in Mesopotamië, dus later in het kortstondige rijk van de koningen van Babel. Deze ziener werd door Balak uitgenodigd om Israël te vervloeken. Hij beroemde zich erop dat hij de woorden van God hoorde en gezichten zag, omdat zijn ogen in de onzienlijke wereld functioneerden. Deze Bileam zag een ster opgaan in Jakob en een scepter zich verheffen uit Israël. Hij profeteerde dat bij Israël een gejubel zou zijn over de Koning (Num. 24:16,17;23:21).  

Bileam was een magiër en later zien de ‘magiërs’ uit het Oosten deze ster. Ze verbinden haar aan de geboorte van de voorspelde Koning van de Joden. Jesaja sprak van de astrologen in Babel:

‘Wat heb je je afgetobd met talloze raadgevers! Laten zij die naar de sterren staren, die de hemel kunnen uitleggen, die je per maand laten weten wat je overkomen zal, laten zij nu aantreden, laten zij je redden!’ (Jes. 47:13).

Het zijn eveneens sterrenwichelaars uit het land van de Chaldeeën die te Jeruzalem vragen:

‘Waar is de Koning van de Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen’ (Matth. 2:2).

Vanuit hun occulte kennis vermengen zij waarheid en leugen. Deze magiërs hebben verder door hun komst geen redding verspreid maar niets dan ellende bewerkt. Hun bedoelingen waren goed, maar toch werden zij de oorzaak dat Jozef en Maria met hun kind moesten vluchten en dat te Bethlehem vele onschuldige kinderen werden vermoord.  

Nadat Jezus later een menigte van alleen al vijfduizend mannen gevoed had, wilde men Hem met geweld meenemen om Hem tot een aards koning uit te roepen. Jezus onttrok Zich echter aan de schare en ging weer in de stilte, waar Hij bij uitstek gemeenschap kon hebben met zijn Vader (Joh. 6:15).  

Riep ook de opgewonden menigte niet bij de intocht van Jezus te Jeruzalem:

‘Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam van de Heer! en: De Koning van Israël’? Jezus zette Zich toen op een jonge ezel, zodat vervuld zou worden: ‘Zie, uw Koning komt’.

De evangelist Johannes deelt ons echter tegelijkertijd mee, dat de leerlingen de betekenis van dit gebeuren niet begrepen en dat we hier met een symbolische daad te maken hebben:

‘Maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden’, (Joh. 12:13-16).

Zijn intocht beeldde zijn komst uit in de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. Daar zou ‘de Koning der ere binnentrekken’ (Ps. 24:7).  

In het hemelse Jeruzalem zit Jezus nu op de troon van zijn vader David. Deze vorst was immers een vertegenwoordiger van de theocratie of godsregering. Zijn troon was het beeld van de troon van God. Zo staat er:

‘Salomo zette zich op de troon van de Heer als koning in de plaats van zijn vader David’ (1 Kron. 29:23).

Op de Pinksterdag sprak Petrus over deze troon:

‘Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de Messias voorzien’ (Hand. 2:30,31).

Bij de hemelvaart van Jezus werd in de geestelijke wereld in het nieuwe Jeruzalem de belofte vervuld:

‘Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan Zijn koningschap zal geen einde komen’ (Luc. 1: 32,33).  

Bij het lijden van Jezus schuift de satan het aardse patroon opnieuw naar voren. Op de vraag van Pilatus: ‘Bent u de Koning van de Joden?’ antwoordt de Heer duidelijk en klaar:

‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; als mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, zodat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier’ (Joh. 18:33-37).

Na dit antwoord begon de duivel Jezus in zijn Koningschap te bespotten:

‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij liepen naar Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden’ (Joh. 19:2).

Op deze demonische wijze bracht men Hem toen ‘hulde’. Zo werd Jezus ook aan zijn volk dat Hem had verworpen, vertoond ‘met de doornenkroon en het purperen kleed’.  

Op het kruis was geschreven:

‘Jezus, de Nazoreeër, de Koning van de Joden’.

Dit opschrift beviel de satan niet en hij zond de overpriesters naar Pilatus om het te wijzigen in: ‘Hij heeft gezegd, dat Hij de Koning van de Joden is’ (Joh. 19:21). Maar Jezus had nooit gesproken over een aards koninkrijk en dit kon dus ook niet tot een later tijdstip worden uitgesteld. Wij zien echter wel hoe belangrijk het voor de satan is om Jezus voor een aards koning te laten houden. De strijd tussen Jezus en hem gaat immers allereerst om de heerschappij in de hemelse gewesten.  

Een geestelijke Koning 

Wie de bijbel begrijpen wil, moet hem vergeestelijken. Dit stuit uiteraard op heftig verzet van de ongeestelijke christenen. Jezus is echter wèl de Koning van de Joden, als wij denken aan het geestelijk Israël. Paulus schreef immers:

‘Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet’ (Rom. 2:29).

Er is een hemels Jeruzalem en op zijn poorten staan de namen van de twaalf stammen van het geestelijk Israël. Deze heilige stad is ‘de stad van de grote Koning’ en daar is Jezus bezig zijn volk te ‘vergaderen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels’. Van de inwoners van deze stad kan worden gezegd:

‘Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van zijn liefde’ (Col. 1:13).

Wij zijn immers genaderd tot de geestelijke berg Sion, tot het hemelse Jeruzalem, tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen’ (Hebr. 12:23).

Jezus is daar de geestelijke Koning. Ook heeft Hij macht over de boze engelen,

‘want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand die onttroond wordt, is de dood’ (1 Cor. 15: 25).  

Jezus is de Koning van de koningen, dit wil zeggen dat geestelijke mensen met Hem zullen regeren. Allereerst over de machten van de duisternis, ‘want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Ef. 6:12). De heerschappij rust ook op onze schouders. Hier op aarde zijn we evenals de Meester, toegerust tot dienstbetoon aan onze medegelovigen en aan alle medemensen, om de schepping te bevrijden van de boze geesten en haar te herstellen. Daarom spreekt de Heer tot ons, dat wij zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen zullen verkondigen en demonen uitdrijven.  

Ook in het duizendjarige rijk zal onze Heer met zijn volk dit koningschap voortzetten, zodat de zuchtende schepping dan volledig wordt bevrijd. Steeds blijft de geestelijke mens meeregeren, omdat hij de gedachten van God ook heeft overgenomen. Uit hem straalt dan het wezen van de hemelse Vader die enkel goed is. Hij overwint de satan door Woord en Geest. De zege zal zo groot zijn, dat eenmaal het hemelse Jeruzalem neerdaalt op de vernieuwde aarde, zodat de herstelde mensheid volledig een stad van God is, waarin ‘God alles is in allen’!