Rentmeesters
over de genade van God
Men veronderstelt wel eens dat God zijn kinderen gaven en bedieningen toevertrouwt op grond van hun geestelijke volwassenheid. Dat is echter een misvatting. De gaven van de Geest zijn ‘genadegaven’ – het zijn goddelijke geschenken die de Heer op grond van zijn barmhartigheid en liefde onder Zijn kinderen uitdeelt. Als het één gemeente aan levensheiliging en geestelijk inzicht ontbrak, dan wel de gemeente van Corinthe. Toch kon Paulus van deze gemeente getuigen dat ze ‘ten aanzien van geen enkele genadegave tekort kwam’.
De gaven van de Geest zijn geschenken van Hem die ‘geschonken worden door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals Hij wil. . . ‘ Daarom heet het ook: ‘Aan ieder afzonderlijk is de genade gegeven waarin Christus haar schenkt’. Er is dus geen enkele reden om ons erop voor te laten staan als in ons leven bepaalde gaven tot openbaring komen. Deze worden ons immers niet gegeven, omdat wij zo ver gevorderd zijn op de weg van de Heer, maar omdat Hij ze geven wilde tot de opbouw van de gemeente.
Hoewel het zaak is om Gods aandeel in het schenken van gaven te erkennen, komt het er van onze kant heel duidelijk op aan met deze gaven om te leren gaan. Het is een geweldige uitdaging, Gods gaven in ons leven zodanig aan te wakkeren, dat ze volledig tot ontplooiing komen. Met Gods gaven moet iets gedaan worden. Willen we bijvoorbeeld profeteren, dan zullen we dat moeten doen ‘naar de mate van ons geloof’ – we zullen er voor moeten zorgen dat ons geloof en ons geestelijk onder-scheidingsvermogen steeds toenemen, zodat we de gemeente steeds duidelijker door kunnen geven wat de Heer te zeggen heeft. Menen we geroepen te zijn om onderricht te geven in het Woord, dan zullen we ons door intensieve studie een diepe kennis van dat Woord eigen moeten maken.
Streven we naar de ‘gave van het meedelen’ – het voorrecht om het werk in Gods Koninkrijk te steunen met onze geldelijke middelen – dan zullen we toch op z’n minst voor een inkomen moeten zorgen waarmee we deze bediening waar kunnen maken. Kortom, wie door de Heer gebruikt wil worden, zal zich eerst bewust moeten zijn van de mogelijkheden en talenten waar hij over beschikt. Weten we eenmaal welke gaven de Heer ons toevertrouwde, dan zullen we daar de verantwoordelijkheid voor op onze schouders moeten nemen. We zullen met de gaven die we ontvingen, moeten gaan werken!
Vaak zien we dat het op dit punt verkeerd gaat – dat mensen in de gemeente allerlei activiteiten proberen te ontplooien op gebieden waarvoor ze eigenlijk geen ‘genadegaven’ hebben ontvangen. Zo kom je in de gemeente soms profeten tegen, die de oudsten de leiding proberen te ontnemen door hun ‘boodschappen’. Je ontmoet er mensen met een duidelijke bediening om allerlei praktische zaken behulpzaam te zijn, die menen op grond daarvan ook gééstelijke leiding te kunnen geven. Evangelisten die niet geleerd hebben de zielen die ze voor de Heer gewonnen hebben, los te laten en toe te vertrouwen aan mensen met een herderlijke bediening. Wat een wanorde in het lichaam van Christus. Wat een spanningen kunnen hierdoor ontstaan!
Soms hoor je de klacht dat de leiding van de gemeente de leden niet voldoende de gelegenheid geeft hun gaven te ontwikkelen. Alsof het initiatief van de voorgangers uit zou moeten gaan! Dat is een misleidende gedachte. De ander kan moeilijk de bediening waar de Heer ons voor, verantwoordelijk heeft gesteld, waar maken. Dat zullen we zelf moeten doen. En de Heilige Geest zal daarvoor wegen en middelen geven. Wie ergens roeping voor heeft, zal zelf moeten zorgen dat die uit de verf komt. Daarvoor is geen officiële aanstelling nodig.
Men kan het werk van een evangelist doen zonder daarvoor een speciale erkenning te genieten. Je kunt je bekwamen in de kennis van het Woord en de overdracht daarvan, zonder dat je officieel de ‘leraar’ van de gemeente bent. Profeten zijn niet alleen zij van wie de boodschappen overal worden erkend en gewaardeerd. De gave van profetie kan net zo goed werken in de gewone omgang met elkaar, waarin we elkaar bemoedigen, vertroosten en vermanen, zonder dat daarbij het geijkte ‘zo spreekt de Heer’ gebezigd wordt.
De gaven die we van de Heer ontvangen, zullen we tot volle ontplooiing moeten brengen. Als we ons daar niet voor inzetten, zullen ze verschrompelen en wegkwijnen. Het komt er voor ons op aan goede rentmeesters te zijn over de genade van God. Wie naar geestelijke gaven streeft, zal zich er voor in moeten zetten een goed beheerder te zijn van de talenten en bekwaamheden die de Heer hem toevertrouwde.