Jezus, de Mensenzoon 2

 

(Vervolg van deel 1)

De laatste dagen én de openbaring van:

 A.  Zijn heerlijkheid

In het gewone Grieks betekent ‘doxa’, dat vertaald wordt door heerlijkheid: reputatie of faam. Deze goede naam kan omschreven worden als de openbaring van de ware natuur van iemand. Kort voor het Paasfeest waren enkele Grieken naar Jeruzalem gekomen om te aanbidden. Ook wilden zij graag Jezus zien. De twee leerlingen die de Heer over deze zaak inlichtten, kregen te horen:

‘Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt moet worden’ (Joh. 12:23).

De ware natuur van de Mensenzoon werd door die goed gemotiveerde heidenen herkend. Jezus getuigde evenwel dat Hij om dit wezenlijke leven van Hem te kunnen doorgeven, eerst moest sterven zoals een graankorrel. Ogenblikkelijk nadat Judas weggegaan was, sprak Jezus tijdens het laatste avondmaal nóg duidelijker:

‘Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt. Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich(zelf) verheerlijken en Hem (dat is: Zichzelf) verheerlijken’ (Joh. 13:31).

Het kleine gezelschap leerlingen was een beeld van allen voor wie Jezus Zich had ingezet. God had Zichzelf volkomen in de Mensenzoon uitgedrukt en zou deze ook bevestigen in zijn eigen Koninkrijk. Aan de andere kant zullen er altijd mensen gevonden worden, die zich losmaken van deze Mensenzoon en van diens boodschap. Op zijn beurt zal Jezus hen dan niet erkennen in het Koninkrijk van God.

B.  De Christus   

Aan het einde van zijn aardse leven kreeg Jezus een heel uitdagend verzoek, namelijk om een beschuldiging te erkennen, dat Hij de Zoon van God was (Marc. 14:61,62). Jezus gaf aan de Joodse leiders een mooie uitleg van de betekenis van het woord Christus. Zij vonden het godslastering dat een mens zichzelf de Zoon van God noemde. Volgens hen leidde dit tot een verkeerde voorstelling van God. Nadat Jezus had toegegeven dat Hij de Zoon van God was, bewees Hij op grond van de Schrift dat de twee benamingen: ‘Mensenzoon’ en ‘Zoon van God’, niet noodzakelijkerwijze met elkaar in tegenstelling stonden. De Schrift zou door hen moeten worden gebruikt om Hem te veroordelen, maar niet hun tradities. Jezus herinnert de leidslieden aan Psalm 110:1, waar gezegd werd:

‘Aldus luidt het woord van de Heer tot mijn Heer: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten’.

Vanuit een eerdere verwijzing naar deze Psalm in Mattheüs 22:44 kan men zien, dat de schriftgeleerden wisten dat de Christus de zoon van David was, dus een mens (Marc. 12:35). Het was daarom geoorloofd om het woord ‘Heer’ voor de afstammeling van David, op de plaats te stellen voor de uitdrukking ‘Mensenzoon’. Jezus ging zelfs verder en kondigde aan, dat deze passage door de Mensenzoon vervuld werd.

In Lucas 20:41-44 wordt op voortreffelijke wijze de logische gedachtegang weergegeven, die het sanhedrin moest doen concluderen, dat Jezus de Christus was. De Messias, de Christus, is de Mensenzoon, gezeten aan de rechterhand van de Almachtige. Christus is daarom zowel de Mensenzoon als de Zoon van God. De Mensenzoon wordt door God in zijn rijk erkend en geëerd. Deze conclusie nu werd door het sanhedrin van meet af aan verworpen. Marcus wijdt zelfs nog meer uit over het begrip ‘Mensenzoon’ in het Oude Testament (Marc. 14:62). Hij spreekt over de Mensenzoon die met de wolken komt, zoals Daniël Hem in een visioen zag (Dan. 7:13). Er was geen tegenstelling tussen de Christus die ‘in eeuwigheid blijft’ (Joh. 12:34) en de Mensenzoon die verhoogd moet worden. Sterker nog: Jezus zou door zijn kruisiging bewijzen dat Hij de Christus was. Hij zei tot de Farizeeën:

‘Wanneer gij de Mensenzoon verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, zoals de Vader Mij geleerd heeft’ (Joh. 8:28).

De Farizeeën verlangden een teken als bewijs dat zijn claim en zijn leer echt waren. Jezus gaf deze ongelovigen het teken van Jona de profeet. Het lijden en de dood van Jezus worden vergeleken met het verblijf van Jona in de ingewanden van het zeemonster (Matth. 12:40). De inwoners van Ninevé bekeerden zich, maar het kwade en ongelovige Joodse geslacht zou zich niet bekeren, zelfs niet na de opstanding van Jezus. Het feit dat God Jezus uit de dood deed opstaan, was wel een bewijs voor de eerste gelovigen dat Hij de Christus was, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest aanduidde, dat Jezus Zich in de heerlijkheid van zijn Vader bevond (Hand. 2:32,33).

C.  Komst in zijn Koninkrijk

Jezus toonde aan, dat aards bezit en wereldse invloed van weinig belang zijn voor het geestelijke leven van de mens: ‘Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?’ Jezus die zijn leven prijsgaf voor de wereld, gaf op deze vraag een duidelijk antwoord: ‘Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden’. Daarna richtte Jezus Zich tot zijn leerlingen en verzekerde hen:

‘Ik verzeker jullie: sommige van de hier aanwezigen zullen niet sterven voor ze de komst van de Mensenzoon en zijn Koninklijke heerschappij hebben meegemaakt’ (Matth. 16:26-28).

Dit Koninkrijk dat niet van deze wereld is, zou de levens van de leerlingen beïnvloeden. De Vader had voor de Mensenzoon een Koninkrijk bestemd en deze had de leerlingen aangesteld om in dat Koninkrijk in nauwe relatie met Hem te functioneren. Zij zouden de twaalf stammen van Israël richten.

Jezus toonde duidelijk het verband aan tussen de leerlingen die metgezellen van de Mensenzoon waren in zijn beproevingen, en hun positie in zijn Koninkrijk (Luc. 22:28-30). Eenzelfde belofte werd aan Petrus geschonken, die namens de leerlingen sprak. Hij herinnerde Jezus eraan, dat zij in Hem hadden geloofd en alles hadden opgegeven. Jezus antwoordde hierop:

‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.’ (Matth. 19:28). 

De vraag wanneer zij Jezus in de wedergeboorte volgden, wordt door dezelfde apostel beantwoord. Deze getuigt hiervan, dat zij opnieuw geboren zijn door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor zij leven in hoop. (1 Petr. 1:3-5). Deze laatste hoop is een erfenis in de hemel, die in de eindtijd onthuld en zichtbaar zal worden gemaakt voor alle mensen.

De opdracht die de leerlingen voor deze wereld ontvingen, hield nauw verband met hun positie in het Koninkrijk van Jezus. In de eerste opdracht waarmee de Heer zijn leerlingen uitzond in Israël, zien we een model, dat de aard van hun wereldwijde opdracht uitbeeldt. Deze kan worden samengevat met de woorden:

‘Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, jullie zullen niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Mensenzoon komt’ (Matth. 10:23).

Eigenlijk staat hier:

‘Gij zult niet alle steden van het (geestelijke) Israël tot volmaaktheid hebben gebracht, voordat de Mensenzoon komt’.

Het doel van de leerlingen was om het Israël van God of het Koninkrijk van God tot volmaaktheid te brengen en dan zal de Mensenzoon komen. Ook vroegen de Farizeeën, wanneer het Koninkrijk van God zou komen. Jezus antwoordde: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik’,  of met de Statenvertaling: ‘het Koninkrijk Gods is binnen ulieden’ (Luc. 17:20,21).

Vanuit het gezichtspunt van de zoekende leerlingen gezien, wordt het Koninkrijk van God ervaren als zijnde de dagen van de Mensenzoon, of van de aanwezigheid van de Mensenzoon (Luc. 17 :22). De tekenen van deze parousia of aanwezigheid van de Mensenzoon en van de voleinding van deze eeuw worden op verzoek van de leerlingen tot in de details behandeld (Matth. 24:3). De komst of de tegenwoordigheid van de Mensenzoon vormt een tegenstelling met de opzienbarende manier, waarop de valse christussen en valse profeten zichzelf op hun beperkte aardse terreinen presenteren: in de woestijn of in de binnenkamer. De aard van zijn parousia wordt uitgebeeld door hemelse bliksemflitsen, die hun begin en einde hebben op de grenzen van de aardse sfeer (Matth. 24:23-27 en Luc. 17:24). Hoewel het tijdstip van het einde van de wereld niet bekend is, zelfs niet aan de Zoon van God, is er een ontwikkeling van gebeurtenissen, die kenmerkend is voor de laatste dagen. Jezus trekt een parallel tussen de dagen van Noach en de tegenwoordigheid van de Mensenzoon. Deze komst is niet van een aardse orde en zij kan daarom ook niet worden omschreven in termen van plaats en tijd. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk onder zijn verdorven tijdgenoten. Hij bouwde de ark en scheepte in, terwijl zijn tijdgenoten zich niet bewust waren van het naderende godsgericht. Zo zullen ook degenen die de Mensenzoon vertegenwoordigen als onderdanen van het Koninkrijk Gods, zich hebben klaar gemaakt en gereed zijn, in tegenstelling tot de generatie van déze wereld.

D.   Zijn komst op de wolken   

De leerlingen van Jezus worden aangespoord om gereed te zijn, omdat het tijdstip van de komst van de Mensenzoon niet bekend is. Zij moeten zich gedragen als gehoorzame slaven, die gedurende de afwezigheid van hun meester over diens huishouding zijn gesteld en hem vertegenwoordigen overeenkomstig zijn wensen. Dan zullen zij te allen tijde klaar zijn om rekenschap af te leggen van hun daden en zullen zij onbevreesd zijn komst tegemoet zien (Matth. 24:44). Marcus 13:24-26 geeft een levendige beschrijving van de benarde dagen vóór de komst of tegenwoordigheid van de Mensenzoon. De dagen van de verdrukking zijn als een tijd waarin de zon en de maan verduisterd worden, de sterren van de hemel vallen en de machten in de hemelen wankelen. ‘En dan zullen zij (in tegenstelling met ‘wij’) de Mensenzoon zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid’. In Marcus staat geen bepaald lidwoord voor het woord ‘wolken’. Het woord ‘nephèle’ (wolken) wordt gebruikt voor een grote menigte personen in 1 Thessalonicenzen 4:17, waar de heiligen in wolken worden opgetrokken. In het klassieke Grieks werd dit woord gebruikt voor een leger soldaten. Wij kunnen voor de zin ‘komende in de wolken’ ook lezen ‘de Mensenzoon die in zijn heerlijkheid komt’. Deze heerlijkheid van Christus is zijn gemeente, bestaande uit heiligen, uit broeders van Jezus (1 Petr. 5:1 en 2 Thess. 2:14). Mattheüs 25:31 zegt:

‘Wanneer dan de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon van zijn heerlijkheid’.

De volkeren zullen bijeen gebracht en geoordeeld worden overeenkomstig hun houding ten opzichte van de broeders van de Mensenzoon.

E.   Het oordeel  

In de eindtijd is het oordeel alleen maar een beëindiging van een bestaande situatie. Het doel waartoe God zijn Zoon in deze wereld zond, was niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden door het geloof in de Zoon (Joh. 3:17). Jezus is de Zoon van God. Als Woord van God werd Hij vlees of mens en toen Hij de Heilige Geest ontvangen had, ‘voer’ Hij op naar de hemel:

‘En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel neder gekomen is, namelijk de Mensenzoon, Die in de hemel is’ (Joh. 3:13 St. Vert.).

Jezus oordeelde de wereld niet op grond van haar werken, maar als de Zoon van God veroordeelde Hij de aard van het kwaad in de hemelse gewesten, van waaruit deze werken hun oorsprong hebben.

Het eeuwige oordeel bestaat hieruit: óf het licht dat zich in de Mensenzoon manifesteert, te aanvaarden, óf dit af te wijzen!

Dit licht, dat tegenover de duisternis staat, is een telkens terugkerend thema, en het illustreert het eeuwige oordeel. Het oordeel of de scheiding tussen goed en kwaad zal beginnen onder de volgelingen van Jezus. Volgens Petrus is dit geen toekomstige gebeurtenis,

‘want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie van God?’ (1 Petr. 4:17).

Jezus vertelde ook gelijkenissen teneinde het oordeel over zijn eigen huis te illustreren (Matth. 25:14-30). Er is een heer die van plan is op reis te gaan. Voordat hij vertrekt, vertrouwt hij zijn geld toe aan zijn dienaren. Dezen ontvangen overeenkomstig hun bekwaamheid. Bij de terugkeer van de heer worden zij geoordeeld naar dat zij zich van hun opdracht hadden gekweten. Het resultaat is, dat een nutteloze slaaf naar de buitenste duisternis wordt uitgestoten.   

De gelijkenis van de tarwe en de dolik in Mattheüs 13:36-43 laat de uiterlijke overeenkomst zien tussen de onderdanen van het Koninkrijk Gods en die van de duivel. Beide groepen worden op aarde gevonden in een gebied, dat bekend staat als het bezit van de Mensenzoon, als zijn kerk.

‘De Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden.’

De aar van de dolik lijkt veel op die van de tarwe, maar wanneer zij volgroeid is, wordt zij geoordeeld op grond van haar vruchten. De Mensenzoon zal bevel geven om de onrechtvaardige onderdanen éérst bijeen te vergaderen om hen over te geven aan het verderf. Dan zullen de rechtvaardigen schijnen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader. Jezus verwijst in Lucas 18:8 naar een gelijkenis, wanneer Hij de vraag stelt of de Mensenzoon nog geloof zal vinden bij zijn terugkeer op aarde. Deze parabel toont ons een weduwe, die een onweerstaanbaar geloof heeft in een rechter, omdat deze haar recht kan verschaffen.  

Hoewel hij in geen recht geïnteresseerd is, geeft hij tenslotte gehoor aan haar verzoek. God, de rechtvaardige Rechter, zal des te meer zijn uitverkorenen spoedig van alle blaam rehabiliteren ten opzichte van hun tegenstander. Dan wijst Jezus terug naar zijn illustratie: op aarde wordt géén gerechtigheid maar corruptie gevonden. Jezus vraagt Zich af of Hij in de laatste dagen nog geloof zal vinden, zoals de weduwe aan de dag legde.

Andere verwijzingen 

Stéfanus was het eerste lid van de vroeg christelijke gemeente, die zijn leven offerde vanwege zijn geloof in de Mensenzoon. Hij weerlegde de vervormde ideeën die de Joden over hun voorvaderen hadden en zei tegen het sanhedrin:

‘Halsstarrige ongelovigen, u wilt niet luisteren en verzet u steeds weer tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden.’ (Hand. 7:51).

Terwijl de leden van het sanhedrin van woede kookten, ontving Stéfanus, die vol van de Heilige Geest was, een visioen. Hij getuigde: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend en de Mensenzoon, staande aan de rechterhand van God’. Tot die tijd was de hemel voor de mens gesloten gebleven, want ‘de hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven’ zegt Psalm 115:16. Ondanks de buitengewone openbaring aan Stéfanus was dit beeld reeds eerder gebruikt in Daniël 7:11-18 teneinde een apocalyptisch persoon te beschrijven, ‘één als een Mensenzoon. Het visioen van ‘de Oude van dagen’ en ‘de Mensenzoon’ is een levendig geschilderd hemels tafereel. Men neemt aan dat de vier beesten in dit gezicht, vier koningen voorstellen, die uit de aarde te voorschijn komen. Zoals een koning zijn onderdanen vertegenwoordigt, zo verenigt de Mensenzoon Zich met de heiligen van de Allerhoogste. Deze ‘iemand gelijk eens mensen zoon of als de Mensenzoon’ kwam met de wolken van de hemel, dat is met de heiligen van de Allerhoogste. Aan deze Mensenzoon werd heerschappij en heerlijkheid en het koningschap gegeven, en de heiligen zullen deel uitmaken van dit eeuwige Koninkrijk. Johannes gebruikt hetzelfde beeld in: ‘Zie, Hij komt met de wolken’ (Openb. 1:7). In zijn visioen ziet Johannes een persoon ‘als een Mensenzoon’ in het midden van de gouden kandelaar. De zeven armen stellen de zeven gemeenten voor.   

Verder toont de Openbaring ons, dat na de verdrukking het Lam gezien wordt te midden van een smetteloos volk, en eerst dan wordt het oordeel aangekondigd (Openb. 14:5). Dit oordeelstafereel begint, wanneer ‘één als een Mensenzoon’, gezeten op een witte wolk, de toestemming ontvangt om de volle rijpe oogst van de aarde binnen te halen (Openb. 14:14). De Mensenzoon op een witte wolk is het Lam met een smetteloos volk. Wij hebben hier een grootse beschrijving van ‘iemand als een Mensenzoon’. De afwezigheid van het lidwoord ‘de’ vindt men ook in Johannes 5:27: ‘En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij (een) Mensenzoon’ is, (vergelijk Openb. 1:13 en 14:14). Dit benadrukt de belangrijkheid van het mens-zijn in de ogen van God. Op gelijke wijze toont het citaat van David in Hebreeën 2:6-8 de uiteindelijke positie aan, die God voor de mens in gedachten heeft.

David stelt de vraag:

‘wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?’

God geeft een zeer duidelijke erkenning van de mens:

‘U hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond, alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen’.

Ook Ezechiël en Daniël worden door God aangesproken met ‘Mensenzoon’. De levens van deze profeten werden gekarakteriseerd door hun onderwerping aan hun Maker.

epiloog

Jezus had een bijzondere zoon van de mensen in gedachten, toen Hij over ‘de Mensenzoon’ sprak. Wat Jezus over Hem zei, had óf betrekking op Hemzelf als persoon in zijn tijd op aarde, óf op zijn leven in heerlijkheid daarna. Door Zich zo uit te drukken was onze Heer in staat om Zichzelf, zijn bediening en zijn roeping objectief te beschrijven. Hij deed dit om een onbevooroordeelde reactie te verkrijgen met betrekking tot zijn aangekondigd lijden en zijn opstanding. Deze kenmerkende levensmethode en de bijna onbevangen manier waarop Hij over de komende dingen sprak, bewijst, dat Jezus geen impulsief of geobsedeerd persoon was.

Volgens de Joden zou de Messias een afstammeling van David zijn, die de vroegere dagen zou doen terugkeren. Zij hadden zich een mening over de Messias gevormd met behulp van allerlei stukken en delen van de profetische geschriften, waarbij hun tradities en natuurlijke verwachtingen een grote rol speelden. Hoewel het Messiasbegrip een deel van hun vocabulaire uitmaakte, hadden zij toch ‘de Geest van Christus’ niet in zich (1 Petr. 1:11). In theorie keken ze uit naar de Messias, maar in de praktijk verwierpen ze Hem.

Jezus was uniek in de zin, dat Hij de echte inhoud aan het Messiasbegrip schonk. Deze inhoud hing af van de manier waarop Hij leefde, van wat Hij voorstond en van het evangelie dat Hij predikte. Het had immers geen zin om vage begrippen bij te brengen, waarin ieder dan zijn eigen voorstelling kon inpassen.

Jezus wist door het getuigenis van de Heilige Geest in Hem, dat Hij de Zoon van God was. Als Mensenzoon had Hij de  loop volbracht, waarvoor Hij door de Vader was uitgekozen, God gaf de mensheid het bewijs van het Messiasschap van zijn Zoon, door deze uit de doden op te wekken.

Het Messiasschap van Jezus kan vergeleken worden met een auteur die zijn eerste boek heeft geschreven. Pas wanneer het uitgegeven is, wordt hij door het publiek ook als schrijver erkend. Jezus was evenwel al auteur, voordat het boek uitgegeven was, maar er was een uitgever nodig om de schrijver erkenning te verschaffen. Jezus ontving deze erkenning van zijn werkelijke status van God zelf, toen Hij zijn werk had voltooid. Vanaf die tijd gingen de gelovigen deze Mensenzoon kennen als Jezus, die ook de Christus was.