De kruisdood 2

 

(vervolg van De kruisdood, deel 1)

Analyse van de kruisdood door chirurg en arts

Golgotha

Uit eerbied voor de Joodse gebruiken gaven de Romeinen Hem klaarblijkelijk zijn kleren terug. Het zware patibulum van het kruis werd op zijn schouders vastgebonden. De stoet met de veroordeelde Christus, 2 dieven en het executiedetachement van Romeinse soldaten met aan het hoofd de centurion, begon met zijn langzame tocht langs de route die wij vandaag kennen als de Via Dolorosa. Jezus’ pogingen ten spijt rechtop te lopen, was het gewicht ban de zware houten balk, samen met de shock die veroorzaakt werd door overvloedig bloedverlies, teveel voor Hem. Hij struikelde en viel. Het ruwe hout van de balk groefde in zijn opengereten huid en spieren van zijn schouders. Hij probeerde overeind te komen, maar menselijke spieren waren misbruikt, meer dan zij konden verdragen. De centurion, die graag door wilde gaan met de kruisiging, zocht een stevige Noord-Afrikaanse toeschouwer, Simon van Cyrene, uit om het kruis te dragen. Jezus volgde, nog steeds bloedend en het koude, klamme zweet van de shock uitzwetende.

De 600 meter lange tocht van het fort Antonia naar Golgotha werd tenslotte volbracht. De gevangen werd opnieuw ontdaan van zijn kleren, behalve een lendendoek, die de joden werd toegestaan. De kruisiging begon. Er werd Jezus wijn aangeboden die gemengd was met mirre, een licht pijnstillend mengsel. Hij weigerde de drank. Simon kreeg opdracht het patibulum op de grond te leggen en Jezus werd snel achterover gegooid, met zijn schouders tegen het hout. De legionair voelde naar de holte aan de voorzijde van de pols. Hij dreef een zware, vierkanten, smeedijzeren spijker door de pols en diep in het hout. Snel bewoog hij zich naar de andere kant en herhaalde de handeling, erop lettend de armen niet te ver uit te strekken, maar enig buigen en bewegen toe te laten.

Het patibulum werd daarna opgetild naar zijn plaats op de bovenkant van de stipes en de titulus met het opschrift “Jezus van Nazareth, koning van de Joden” werd op zijn plaats vast gespijkerd. De linkervoet werd achterwaarts tegen de rechtervoet gedrukt. Met de beide voeten uitgestrekt en de tenen omlaag, werd een spijker door de wreef van elk ervan gedreven, waarbij de knieën matig gebogen bleven. Het slachtoffer was nu gekruisigd.

Aan het kruis

Toen Jezus zich langzaam liet doorzakken, waardoor meer van zijn gewicht op de spijkers door zijn polsen drukte, schoot een folterende, vlammende pijn door zijn vin-gers en naar boven door zijn armen, om in zijn hersenen tot ontploffing te komen. De spijkers in de polsen oefenden namelijk druk uit op de nervus medianus, een grote zenuwstreng in elk ervan, die dwars door de middenpols en de hand heen loopt. Toen Hij zich omhoog druk drukte om te ontkomen aan deze marteling door uitrekking, bracht Hij daarmee zijn volle gewicht op de spijker door zijn voeten. Weer kwam er een brandende uitbarsting van pijn, toen deze spijker langs de zenuwen tussen de middenvoetsbeentjes doortrok. Tegelijk deed zich een ander verschijnsel voor. Toen de armen uitgeput raakten, sloegen krampen in grote golven door de spieren en zetten ze vast in een hevige, meedogenloze, bonzende pijn. Bij deze krampen kwam het onvermogen om zichzelf op te drukken. Hangend aan de armen werden de grote spieren van de borstkas verlamd en de kleine spieren tussen de ribben konden daardoor niet werken. Lucht kon zodoende wel ingezogen, maar niet uitgeademd worden. Jezus vocht om zichzelf omhoog te brengen, om al was het maar een beetje adem te krijgen. Tenslotte sloeg het koolzuurgehalte in de longen en bloedstroom en de krampen namen gedeeltelijk af.

 De laatste woorden

Met tussenpozen was Hij in staat zichzelf omhoog te drukken om uit te ademen en levensgevende zuurstof op te nemen. Het was ongetwijfeld gedurende die fases dat Hij de 7 korte zinnen uitte die opgetekend staan.

1. De eerste – neerkijkend op de Romeinse soldaten die dobbelden om zijn naadloze kleed:

‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ (Luc. 23:34).

2. De tweede – tot de berouwvolle dief:

‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ (Luc. 23: 43)

 3. De derde – omlaag kijkend naar Maria, zijn moeder, zei Hij:

‘Dat is uw zoon.’

Dan zich kerend tot de doodsbange, in verdriet gedompelde jongeman Johannes, de geliefde apostel:

‘Dat is je moeder.’ (Joh. 19:26,27).

4. De vierde uitroep komt uit het begin van psalm 22:

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ (Matth. 27:46).

Hij leed uren van grenzenloze pijn, eindeloze cirkelgangen van zich wringen, gewrichten uiteen trekkende krampen, met tussenpozen werkende, gedeeltelijke verstikking en schroeiende pijn, omdat weefsel van zijn opengereten rug werd gescheurd, door zijn op en neer bewegen tegen de ruwe balken van het kruis.

Toen begon een nieuwe marteling: een hevige, vernietigende pijn in zijn borst, doordat het hartzakje rondom zijn hart zich langzaam vulde met bloedwei en het hart begon samen te persen. De profetie in psalm 22:15 was bezig in vervulling te gaan:

‘Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf.’

Het einde kwam snel nader. Het verlies aan weefselvloeistof had een kritiek niveau bereikt, zijn samengeperste hart worstelde om zwaar, dik, traag stromend bloed naar de weefsels te pompen en de gemartelde longen deden verwoede pogingen om kleine teugen lucht in te ademen. De duidelijk uitgedroogde weefsels zonden hun stroom van prikkels naar de hersenen. Jezus bracht er met moeite zijn vijfde kreet uit:

5.  ‘Ik heb dorst.’ (Joh. 19:28)

Weer lezen we in de profetische psalm (22:16):

‘Mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, u legt mij neer in het stof van de dood.’

Een spons, gedrenkt in posca, de goedkope, zure wijn die de voornaamste drank van de Romeinse legionairs was, werd omhoog gebracht naar Jezus’ lippen. Zijn lichaam verkeerde nu in de laatste ogenblikken en Hij kon de kilheid van de dood voelen, die door zijn weefsels kroop. Dit besef gaf leven aan zijn zesde woord, mogelijk weinig meer dan een gekweld gefluister:

6. ‘Het is volbracht!’ (Joh. 19:30)

Zijn taak van verzoening was voltooid. Tenslotte kon Hij zijn lichaam toestaan te sterven. Met een laatste poging om zijn krachten te verzamelen, drukte Hij nog eenmaal zijn verscheurde voeten tegen de spijker, strekte zijn knieën, nam een diepere ademteug en slaakte zijn zevende en laatste uitroep:

 7. ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Luc. 23:46)

 Zijn dood

We zijn allemaal bekend met de laatste details van Jezus’ terechtstelling. Om de sabbat niet te ontheiligen, vroegen de Joden om de veroordeelden mannen te doden en te verwijderen van de kruisen. De gebruikelijke methode om een kruisiging te beëindigen, was de benen te breken. Dit verhinderde het slachtoffer om zich nog langer omhoog te drukken; de spanning kan niet meer van de spieren van de borst afgenomen worden en een snelle verstikking vond plaats. De benen van de 2 dieven worden gebroken, maar toen de soldaten bij Jezus kwamen, zagen ze dat dit bij Hem niet meer nodig was. Klaarblijkelijk om dubbel zeker te zijn van zijn dood, dreef de legionair zijn lans tussen zijn ribben omhoog door het hartzakje en in zijn hart. Johannes 19:34 stelt vast:

‘…en meteen vloeide er bloed en water uit.’

Zo ontsnapte waterige vloeistof uit het zakje rondom zijn hart en bloed vanuit de binnenzijde van het hart. Dit is in hoge mate afdoend bewijs voor een lijkschouwer dat Jezus niet de gebruikelijke kruisigingdood door verstikking stierf, maar door hartstilstand als gevolg van shock en van vernauwing van het hart door vocht in het hartzakje.

De opstanding

In deze gebeurtenissen hebben we een glimp opgevangen van het toppunt van kwaad dat de mens ten toon kan spreiden tegenover zijn medemens en tegenover God. Het is afschuwelijk dat te zien en misschien zou het ons wanhopig en terneergedrukt achter kunnen laten. Maar de kruisiging was niet het eind van het verhaal. Met grote dankbaarheid kunnen we vaststellen dat er een vervolg is, een glimp ook van de oneindige genade tegenover mensen: het geschenk van de verzoening, het wonder van de opstanding en de verwachting van Paasmorgen.