De kruisdood 1
Analyse van de kruisdood door chirurg en arts
Verscheidene jaren geleden raakte ik geïnteresseerd in de lichamelijke aspecten van het lijden van Jezus Christus, toen ik een beschrijving van de kruisiging las in het boek van Jim Bishop, ‘The day Christ died’ (De dag dat Christus stierf). Ik werd mij er plotseling van bewust dat ik de kruisiging tot dan toe min of meer had gelaten voor wat ze was, dat ik ongevoelig was geworden voor de gruwelijkheid ervan door een te gemakkelijke vertrouwdheid met de lugubere details. En tenslotte zag ik dat ik als arts niet eens de echt directe oorzaak van Christus’ dood kende.
De evangelieschrijvers geven op dit punt niet veel hulp. Aangezien kruisiging en geseling in hun tijd zo gangbaar waren, beschouwden zij en gedetailleerde beschrijving ongetwijfeld als overbodig. Om die reden beschikken we alleen maar over hun bondige woorden: ‘Pilatus… gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden……’. ‘En zij kruisigden Hem…’ (Marc. 15:15-24).
‘En zij kruisigden Hem…’
Ondanks de stilte ten aanzien van de details van Jezus’ kruisiging in het verslag van evangelisten, hebben velen in het verleden zich in dit onderwerp verdiept. In mijn eigen studie van de gebeurtenis, gezien vanuit medisch standpunt, ben ik met name dank verschuldigd aan dr. Pierre Barbet, een Franse chirurg die diepgaand historisch en medisch onderzoek deed en uitgebreid schreef over dit onderwerp. Een poging om het mateloze psychische en geestelijke lijden te onderzoeken van Jezus Christus, die om de zonden van de gevallen mensheid vrijwillig zijn leven gaf als schuldoffer, valt buiten het bestek van dit artikel.
De fysiologische en anatomische aspecten van het lijden van onze Heer kunnen we echter op een aantal details nader bekijken. Wat had het lichaam van Jezus van Nazareth werkelijk te doorstaan tijdens die uren van marteling?
De methode van de kruisiging
Deze vraag leidde allereerst naar een studie van de praktijk van de kruisiging zelf, dat wil zeggen van de marteling en de terechtstelling van een persoon door bevestiging aan een kruis. Het bleek dat het eerst bekende gebruik van de kruisiging plaats vond onder de Perzen. Alexander de Grote en zijn generaals brachten het naar de wereld rond de Middellandse Zee, naar Egypte en Carthago. De Romeinen leerden de techniek klaarblijkelijk van de Carthagenen en, zoals bij alles wat de Romeinen deden, zij ontwikkelden in snel tempo een hoge graad van doelmatigheid en vakkundigheid in de uitvoering ervan. Een groot aantal Romeinse schrijvers, inclusief Livy, Cicero en Tacitus, geven er commentaar op. Verscheidene vernieuwingen en wijzigingen worden beschreven in de antieke literatuur. Slechts enkele daarvan zijn hier van belang.
Aan het rechtopstaande deel van het kruis, de stipes, kon de dwarsbalk of patibulum worden bevestigd op 30 á 90 cm beneden de top. Dit zien wij vandaag de dag gewoonlijk als de klassieke vorm van het kruis, gewoonlijk het Latijnse kruis genoemd. De gebruikelijk vorm in Jezus’ dagen was echte het tau-kruis, in de vorm van de Griekse letter tau of van onze hoofdletter T. Bij dit kruis werd het patibulum geplaatst in een inkeping op de bovenkant van de stipes. Er is een uitstekend archeologisch bewijs dat het dit type kruis was waaraan Jezus werd gekruisigd. De rechtopstaande paal van het kruis stond meestal pertinent verankerd in de grond op het terrein van de executie. De veroordeelde man werd gedwongen om het patibulum (de dwarsbalk), die kennelijk een gewicht had van 30 á 50 kg, te dragen van de gevangenis naar de plaats van de terechtstelling.
Middeleeuwse en Renaissance schilders hebben ons echter, zonder enig historisch of Bijbels bewijs, het beeld gegeven van Christus, die het hele kruis draagt. Veel schilders en beeldhouwers van kruisbeelden maken ook een fout door het idee te geven dat de spijkers door de handpalmen werden gedreven. Historische verslagen van Romeinen en experimenteel onderzoek hebben aangetoond dat de spijkers tussen de kleinen beenderen van de polsen door werden geslagen en niet door de handpalmen. Spijkers door de hand doen deze tussen de vingers door uitscheuren, als zij het gewicht van het menselijk lichaam dragen. Deze misvatting kan ontstaan zijn door een verkeerd begrijpen van Jezus’ woorden tot Thomas: ‘Zie mijn handen’ (Joh. 20:27). Moderne en klassieke anatomen echter, hebben de pols altijd als een deel van de hand beschouwd.
Een titulus of klein houten bord, dat de misdaad van het slachtoffer vermelde, werd gewoonlijk voor de stoet uitgedragen en later boven zijn hoofd aan het kruis vastgespijkerd. Dit bord, vast geslagen op een stok en met behulp hiervan aan het kruis bevestigd, moet het de karakteristieke vorm van het Latijnse kruis hebben gegeven.
Gethsémane
Het lichamelijke lijden van Christus begin in Gethsémane. Van de vele aspecten van het begin van Zijn lijden is er één van bijzonder fysiologisch belang, namelijk het bloedige zweet. Interessant genoeg, is de arts Lucas de enige evangelist die dit voorval noemt. Hij zegt:
“Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond,” (Luc. 22:44).
Door moderne geleerden is elke denkbare poging ondernomen om het verschijnsel van het bloedige zweet te verklaren, klaarblijkelijk door de foutieve in druk dat het eenvoudigweg niet bestaat. Heel wat inspanning zou men zich hebben kunnen besparen door de medische literatuur te raadplegen. Hoewel erg zeldzaam, is het bestaan van hematidrosis of bloedig zweet bewezen. In een toestand van zeer grote emotionele spanning kunnen uiterst kleine haarvaten in de zweetklieren breken, waardoor bloed met zweet vermengd wordt. Dit proces alleen al kon reeds tot duidelijke verzwakking en een eventuele shock geleid hebben.
Hoewel Jezus’ verraad en gevangenneming belangrijke delen van de lijdensgeschiedenis zijn, is de volgende gebeurtenis in het verslag die van belang is vanuit medisch oogpunt, het verhoor voor het Sanhedrin en de hogepriester Kajafas. Hier werd hem het eerste lichamelijke letsel toegebracht. Een soldaat sloeg Jezus in het gezicht, omdat Hij bleef zwijgen toen Hij ondervraagd werd door Kajafas. De paleiswachten blinddoekten Hem daarna, hoonden Hem in het gezicht en daagden Hem uit te zeggen wie Hem had geslagen, terwijl ze langs Hem heenliepen.
Voor Pilatus
In de vroege morgen werd Jezus, gehavend en vol bloeduitstortingen, lijdend onder vochtverlies en uitgeput door een nacht zonder slaap, door Jeruzalem heen gevoerd naar het gerechtsgebouw van het fort Antonia, de regeringszetel van de stadhouder van Judea, Pontius Pilatus. We kennen Pilatus’ poging om de verantwoordelijkheid af te schuiven op Herodes Antipas, de onderkoning van Judea. Kennelijk onderging Jezus geen lichamelijke mishandeling, toen Hij in handen van Herodes was, en Hij werd teruggestuurd naar Pilatus.
Het was toen dat Pilatus, in antwoord op het geschreeuw van de lawaaierige menigte, bevel gaf Bar-Abbas vrij te laten en dat hij Jezus veroordeelde om gegeseld en gekruisigd te worden. Autoriteiten op dit gebied verschillen sterk van mening over het gebruik van geseling als voorspel voor kruisiging. De meeste Romeinse schrijvers uit deze periode verbinden die twee niet met elkaar. Veel geleerden geloven dat Pilatus oorspronkelijk bevel gaf Jezus te geselen bij wijze van eindoordeel en dat de ter dood veroordeling door middel van het kruis slechts volgde als antwoord op de schimpscheuten van de menigte dat de stadhouder de keizer niet naar behoren verdedigde tegen deze man, die er aanspraak op maakte de Koning van de Joden te zijn. Het valt te betwijfelen of de Romeinen enige poging deden om de Joodse wet te volgen op het punt van de geseling.
De Joden hadden een oude wet die verbood om meer dan 40 slagen toe te dienen. De Farizeeën, die altijd zorgden er zeker van te zijn dat de wet strikt werd nagekomen, hielden er aan vast dat slechts 39 slagen werd gegeven. In geval van foutieve telling waren ze dan zeker binnen de wet te blijven. De voorbereidingen voor Jezus’ geseling werden uitgevoerd volgens de bevelen van Caesar. De gevangene werd ontdaan van zijn kleding en zijn handen werden boven zijn hoofd vastgebonden aan een paal.
De Romeinse legionair (soldaat) stapte naar het voren met het flagrum of flagellum in zijn hand. Dit was een soort zweep, die verscheidene zware, leren repen met 2 kleine loden kogels ter grootte van een hazelnoot, die dichtbij het uiteinde van elk ervan waren vast gemaakt. Deze zware gesel werd met volle kracht keer op keer neergehaald over Jezus’ schouders, rug en benen. Eerst werkten de verzwaarde riemen zich alleen door de huid heen. Daarna, bij het aanhouden van de slagen, hakten zij in op de onderhuidse weefsels. In het begin bewerkten ze daarbij dat er bloed begon te druppelen uit de haarvaten en aderen van de huid en tenslotte dat er aderlijke bloedingen uitbraken uit vaten in de onderliggende spieren.
De kleine loden kogels veroorzaakten aanvankelijk uitgebreide en diepe kneuzingen, die opengebroken werden door erop volgende slagen. Uiteindelijk hing de huid van de rug er in lange flarden bij en de hele oppervlakte was een onherkenbare masse van verscheurend, bloedend weefsel. Als door de dienstdoende centurion (hoofdman) werd vastgesteld dat de gevangene de dood nabij was, werd het slaan tenslotte beëindigd.
Bespotting
De half in onmacht gevallen Jezus werd vervolgens losgemaakt en mocht neerzinken op het stenen plaveisel, nat van zijn eigen bloed. De Romeinse soldaten vonden deze Jood uit de provincie, die beweerde een koning te zijn, erg grappig. Zij wierpen een kleed om zijn schouders en drukten Hem een stok in de hand bij wijze van een scepter. Ze hadden nog een kroon nodig om hunkarikatuur volledig te maken. Dunne, buigzame takken, die overdekt waren met lange doorns en die gewoonlijk gebruikt werden voor het aansteken van vuren in de houtskoolkomforen op de binnenplaats, werden gevlochten tot de vorm van een ruwe kroon. De kroon werd op zijn schedel gedrukt en opnieuw ontstond een overvloedig bloeden, omdat de doorns het zeer vaatrijke weefsel doorstaken.
Na hem bespot en in Zijn gezicht geslagen te hebben, pakten de soldaten de stok uit zijn hand en sloegen Hem daarmee op zijn hoofd, daarmee de doorns nog dieper in zijn schedel stotend. Eindelijk kregen ze genoeg van hun sadistische sport en scheurden de mantel van zijn rug. De mantel was al helemaal vast komen te zitten aan de klonten bloed en bloedwei in de wonden en het lostrekken ervan veroorzaakte, net als bij het onzorgvuldig verwijderen van een wondverband, een folterende pijn. De wonden begonnen opnieuw te bloeden.