Prediking in de gevangenis
‘Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, (1 Petrus 3:19)
Tijdens de drie dagen dat Jezus in het dodenrijk was, predikte Hij direct na zijn lichamelijk sterven, aan de overledenen in het dodenrijk. Petrus spreekt hier over ‘geesten in de gevangenis’, de geesten van mensen van alle eeuwen, zowel de rechtvaardigen als de ónrechtvaardigen.
Tijdens zijn leven op aarde heeft de Heer ook gepredikt aan ‘geesten in de gevangenis.’ Er staat immers dat Hij was gekomen
‘om aan gevangenen loslating te verkondigen’ (Luc. 4:19).
Door zijn woord bevrijdde Hij de geest van de mens uit zijn gevangenschap, zodat deze geest weer actief bezig kan zijn. Daarom kan van iemand die het woord van Jezus aanvaardt, gezegd worden dat hij wedergeboren wordt door dit woord en zijn geest overgaat van de dood in het leven. Er is dan sprake van een ‘verlost worden uit de macht van de duisternis’, dus van een vrijkomen uit de gevangenis. Gebeurt dit niet, dan blijft zo’n geest in de dood of in de kerker. Wanneer een onwedergeboren mens sterft, wordt zijn inwendige mens gescheiden van zijn uitwendige. De geest, die verbonden is met de ziel, tezamen de inwendige mens vormend, blijft dan in de dood, dat is in de gevangenis of in de macht van het dodenrijk. Dat ‘afgrond’ en ‘gevangenis’ synonieme begrippen zijn, kan blijken uit een vergelijking van Romeinen 10:7 met Openbaring 20:3 en 7.
Bij gebonden en door boze geesten overmeesterde mensen werkt de geest onvoldoende of helemaal niet meer. Dit was de oorzaak dat God zijn geschreven wet gaf, die van buitenaf de mens duidelijk moest maken wat de wil van God is. Vandaar dat de apostel schreef:
‘De wet is niet gesteld voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen’ (1 Tim.1:9).
Zo had de rechtvaardige Abraham geen wet nodig, want hij was ‘zichzelf tot wet’ (Rom.2:14). Zijn geest functioneerde voldoende.
Het is nu wel duidelijk wat de Bijbel bedoelt met ‘geesten in de gevangenis’. Het gaat dan over menselijke geesten die overmeesterd zijn door de vijand, die dus geestelijk dood zijn en die geen contact meer hebben met God. In de natuurlijke wereld kunnen ze dan nog wel leven, maar zij zijn onmachtig zich te ontwikkelen tot geestelijke mensen naar de bedoeling van God.
De wedergeboren mens leeft tijdens zijn natuurlijk bestaan op aarde en met zijn inwendige mens in het Koninkrijk van God. Hij is, in Christus Jezus zijnde, overgeplaatst in de hemelse gewesten uit de dood in het leven. Bij zijn ontslapen gaat hij dus niet naar de hemel, zoals velen ten onrechte denken, maar hij wordt slechts onttrokken aan de natuurlijke wereld en blijft dus naar de inwendige mens daar waar ook Christus Jezus is.
We wijzen erop, dat we ons noch het Koninkrijk van God, noch het dodenrijk moeten voorstellen als plaatsen waar de rechtvaardigen of de niet-wedergeborenen na hun sterven zouden verblijven. We kunnen ons alleen een juiste gedachte vormen over hun situatie, maar mogen hen niet lokaliseren op een bepaalde plaats in de onzichtbare wereld. De hemelse gewesten kennen geen binding aan tijd, plaats of afstand.
Petrus spreekt hier over ‘geesten in de gevangenis’ in hun situatie ná het sterven. Deze menselijke geesten zijn tot volkomen werkeloosheid gedoemd. Zij kunnen zich niet meer bekeren en geen werk meer verrichten. Zij bevinden zich dus in een toestand van levenloosheid of duisternis, hoewel ze wel existeren. De boze engelen, met wie de onrechtvaardigen al hier op aarde verbonden waren, zijn nu ook tot inactiviteit veroordeeld. Dezen zijn overgegeven aan ketenen van de duisternis (2 Petr. 2:4). Ze kunnen dus niet meer parasiteren op de levens van mensen. Ze zijn niet meer in staat deze te stelen, lichamen te verzieken en zielen te doen zondigen.
In dezelfde toestand als genoemde geesten bevinden zich ook de boze engelen die door de gelovigen gebonden en op bevel van Jezus uitgedreven en in de afgrond geworpen werden. Zij werden als bergen in de zee geworpen (Matth. 17:20), of om een ander beeld te gebruiken:
in de naam van Jezus werden zij stevig ineen gewikkeld, vast in elkaar gerold als een kluwen, weggeworpen als een bal naar een zeer uitgestrekt land, daar stierven zij of werden zij onmachtig gemaakt (vergelijk Jes. 22:17,18).
Zij zijn dan zonder prooi in het dodenrijk, wat voor hen een bijzondere pijniging betekent (Matth. 8:29). Al deze engelen en menselijke geesten vormen samen het dodenrijk met daarin als koning van de aparte diepte, de afgrond, Apóllyon (Openb. 9:11).
Als geestelijk volmaakt en vrij mens was Jezus in het dodenrijk niet werkeloos. Zijn verschijning in hun midden was reeds een prediking, een proclamatie, of zoals er letterlijk staat: een uitroepen als een heraut. Hij openbaarde toen de bedoeling van God met de mens, want Hij was immers een geestelijk mens, tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 3:17). Hij openbaarde licht of leven te midden van duisternis of dood. Hij bracht het oordeel of de scheiding in het dodenrijk tot overwinning (Matth. 12:20). Er was immers al een onoverkomelijke ‘kloof’ tussen rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zoals we lezen in Lucas 16:26.
De rechtvaardigen van het oude verbond hadden ook het natuurlijke leven afgelegd. Hoewel hun geloof hun tot gerechtigheid was gerekend en zij niet verbonden waren met de machten van de duisternis, kwamen zij toch in het dodenrijk. Er staat immers dat de dood als koning geheerst heeft van Adam tot Mozes, dus ook over allen die vóór of onder de wet leefden. Paulus schreef van hen
dat zij niet op een gelijke wijze als Adam hadden gezondigd, maar dat de dood toch ook tot hen was doorgegaan (Rom. 5:14).
Zij vormden dus een aparte categorie in het dodenrijk. Ook zij hoorden de prediking van Jezus. en zagen zijn verschijning. De inhoud van zijn overwinning was natuurlijk de overwinning van gerechtigheid en waarheid na zijn volbracht werk. Als levende overwinnaar die ook hun gerechtigheid tot volmaaktheid had gebracht, manifesteerde Jezus Zich in de Hades, het Griekse woord voor dodenrijk. Allen die als rechtvaardigen werden gerekend, hetzij vóór of onder de wet en die bewust vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren geweest zoals Abraham, Izak, Jakob en al de profeten (Luc. 13:2 8), werden door Hem uitgeleid naar het Paradijs, of met een ander beeld: overgeplaatst naar de stad van God, het nieuwe Jeruzalem (Matth. 27:52). Onze tekst houdt zich echter speciaal bezig met de prediking van Jezus tot de ongehoorzamen.
Veel uitleggers menen dat de Geest van Christus die in Noach sprak (zie 1:11) gepredikt zou hebben aan mensen die toen op aarde leefden, opdat zij zich zouden bekeren en behouden worden. Zij waren echter ongehoorzaam, verdronken en verkeerden in het dodenrijk toen Petrus zijn brief schreef. Niet Jezus zelf, maar Noach zou dus aan deze gevangenen tijdens hun leven op aarde gepredikt hebben. Nu is het wel zo, dat de Geest van Christus door de profeten van het oude verbond gesproken heeft, dus ook door Noach, maar in onze tekst gaat het om een prediking van Hem ‘die levend gemaakt was naar de geest’, dus van Jezus zelf in de tijd tussen zijn sterven en opstanding.
Een kenmerkende categorie van ongehoorzamen, die de boodschap van Noach, ‘de prediker van de gerechtigheid’ (2 Petr. 2:5), destijds wel gehoord, maar massaal afgewezen hadden, vormden de bewoners van de eerste wereld. Natuurlijk zijn er ook in latere tijden wel andere ongehoorzamen die de prediking van het woord van God gehoord en verworpen hebben. Zo had immers ook het volk Israël ten tijde van de profeten de oproep tot bekering genegeerd.
Bij de heidenvolken die de wet van God hadden verloren en zijn woord niet kenden, valt deze ongehoorzaamheid vanzelfsprekend niet zo op. Denk ook eens aan de inwoners van Ninevé, die zich onmiddellijk bekeerden bij de prediking van Jona. De Heer sprak zelfs dat de mannen van deze stad in het oordeel, met het afkerige Jodendom eenmaal zouden opstaan en dit ongehoorzame geslacht zouden veroordelen (Luc. 11:32).
In onze tekst is dus sprake van mensen die tijdens de bouw van de ark leefden en die de prediking van Noach verwierpen. God bleef toen wachten, want toen de Heer gesproken had, duurde het nog honderdtwintig jaar voor de zondvloed over de aarde kwam (Gen. 6:3). Al die jaren werden deze tijdgenoten van Noach in woord en daad met zijn prediking geconfronteerd. Ze hebben zich evenwel tot het uiterste verhard en werden zodoende tegelijkertijd type van de ongehoorzamen in de eindtijd, die in een vloed van vuur en demonie zullen ondergaan.
Toen Jezus in het dodenrijk verscheen, bleven de ongehoorzame tijdgenoten van Noach achter en zij gingen niet naar de stad van God, waarnaar de rechtvaardigen als Abraham, Izak en Jakob hun leven lang hadden uitgezien. In Noach’s dagen werden ‘weinigen’, dat is maar acht zielen, onder al die miljoenen mensen, gered door het water. Van deze acht weten we alleen met zekerheid van Noach dat hij als een gerechtvaardigde vanuit het dodenrijk ook behouden in het Paradijs is overgebracht. Van hem wordt immers gezegd dat
hij een erfgenaam geworden is van de gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt (Hebr. 11:7).
Te allen tijde geldt de Bijbelse regel: een rest of een overblijfsel wordt behouden. Jesaja riep over Israël uit:
‘Al was het getal van de kinderen van Israël als het zand aan de zee, het overschot zal behouden worden’ (Rom. 9:27).
Dit gebeurde tijdens de zondvloed en het gebeurde ook toen het oude bondsvolk werd verworpen, maar een schare van honderdtwintig personen overging van het oude naar het nieuwe verbond, en later de drieduizend zielen en weer later de vijfduizend mannen.
Tenslotte zal ook de gemeente in de eindtijd als een overblijfsel uit de afgevallen kerk wegtrekken door een zee van glas vermengd met vuur, om aan de behouden overzijde haar overwinningslied te kunnen zingen!