De boeken geopend

 

In het duizendjarig vrederijk zijn alle mensen, die nog op aarde leefden, door de gemeente tot volkomenheid gebracht. Zij, die gehoorzaam gebleven zijn bij de laatste ‘stuiptrekking’ van de duivel, hebben hun plaats in de stad Gods ingenomen. Dit nieuwe Jeruzalem bestaat dus uit mensen, die tijdens hun aardse leven in Christus hebben geloofd, maar  geen geestelijke strijd tegen de overheden en machten in de hemelse gewesten kenden en deze daardoor ook niet voerden. Zij zijn dus niet tot overwinnaars uitgegroeid. Tot hen behoren onder andere de rechtvaardigen uit het oude verbond, die reeds tevoren hun hoop op Christus hadden gebouwd (Ef. 1:12). Van Abraham staat bijvoorbeeld geschreven, dat hij een stad verwachtte met fundamenten, waarvan God de ontwerper en de bouwmeester is (Hebr. 11:10).

De ‘geloofshelden uit het oude verbond’ zijn bij de opstanding van Jezus uit de doden eveneens verrezen uit het dodenrijk, waar zij zich bevonden in de ‘schoot van Abraham’. Zij zijn als eersten overgeplaatst in het nieuwe Jeruzalem.

‘Opgestegen ten hoge, heeft Hij gevangenen buitgemaakt’ (Ef. 4:8, Leidse vertaling).

Daarna zijn ten tijde van het nieuwe verbond ook vele mensen – waarvan sommigen als door vuur heen – ingevoegd, omdat zij geloofden, dat Jezus de Christus was, die voor hun zonden was gestorven. Zij hebben daardoor de belofte verkregen, dat zij de dood in eeuwigheid niet zullen aanschouwen (Joh. 8:51). Al de leden van de stad zijn aan het einde van het duizendjarig rijk door de gemeente in de geestelijke wereld tot volmaaktheid gebracht. Deze volwassenheid is dus niet opeens bij het sterven ingetreden. In het Koninkrijk van God gaat alles immers via groei en ontwikkeling. Zonder inbreng van de gemeente zouden zij niet tot de volle volwassenheid gekomen zijn (zie Hebr. 11:40). 

De miljarden in het dodenrijk

Nog zijn niet álle mensen op hun eindbestemming aangekomen. In het dodenrijk, de gevangenis, worden nog vele miljoenen bewaard tot de dag van het oordeel. Hier bevinden zich mensen, die Christus niet kenden, of niet in Hem geloofden op grond van hun bevindingen met de ‘christenen’ om hen heen. Zij allen zijn zonder hoop op Christus gestorven en zijn wat hun inwendige mens betreft in de situatie gebleven, waar dezen reeds tijdens het aardse leven in verkeerden: in het dodenrijk. Tot hen behoren ook de vele rechtvaardigen ‘onder de wet’, die geen visie op de toekomst hadden. Velen zullen behoorlijk beschadigd zijn, doordat zij in hun leven gebukt zijn gegaan onder het juk van de machten der duisternis. Indien zij echter hongerden en dorstten naar de gerechtigheid of bijvoorbeeld goddelijke eigenschappen in hun leven hebben geëtaleerd, zoals barmhartigheid, zijn zij aan de lichtzijde van het dodenrijk terecht gekomen. Men wordt daar door de doodsmachten bewaard, zonder dat de demonen, die hen in het leven benauwden, hen nog verder pijnigen. Die hebben de persoon bij het sterven verlaten. Geen macht der duisternis gaat vrijwillig mee naar de gevangenis, een plaats, waar hij vóór de tijd gepijnigd wordt (Matth. 8:29).

Andere mensen hebben tijdens hun aardse leven in de zonde geleefd, er alles uithalend wat erin zat. Zij hebben de machten, die hen in de greep hielden, lief gekregen en hen bij het sterven vastgehouden, zodat hun inwendige mens, verbonden met de demonen, in de afgrond terecht kwam, het diepe gedeelte van ‘de zee’. Zij hadden de duisternis liever dan het licht, hun werken waren boos (Joh. 3:19). In dit donkere deel van het dodenrijk bevindt zich ten tijde van het laatste oordeel ook de gemeente van de antichrist, vergezeld van occulte geesten. Na de slag van Harmágedon zijn zij immers gedood! Ook zij hebben gekozen voor de duisternis en haatten het licht! 

De tweede dood

Tussen de lichtzijde, waar ‘goeden’ bewaard worden en de duistere zijde, de afgrond, waar ‘kwaden’ gevangen gehouden worden, bestaat een onoverkomelijke kloof (Luc. 16:26). In het dodenrijk is de scheiding al gevallen! De dood wijst namelijk een ieder een plaats aan in overeenstemming met zijn of haar werken, dus op grond van datgene wat in de boeken van de duivel staat. Bij het laatste oordeel, beschreven in Openbaring 20:11-15, wordt deze scheiding alleen maar bekrachtigd.

‘De boeken werden geopend en ieder werd geoordeeld naar zijn werken.’

Allen zullen ontwaken, dat wil zeggen uit de macht van het dodenrijk loskomen. Zij, die aan de lichtzijde hebben verkeerd, staan geschreven in het boek van het leven en ook dit boek wordt geopend (Openb. 20:12). Deze mensen, die innerlijk altijd naar het goede hebben verlangd, krijgen dit nu in overvloedige mate aangeboden. Zij staan op tot eeuwig leven (Dan. 12:2). Zij komen in een onsterfelijk opstandinglichaam terecht op de nieuwe aarde en worden daar opgevangen door de stad en de tempel van God. Wij komen hier zo dadelijk op terug.

Degenen, die aan de duistere zijde verkeerden, ontwaken tot eeuwig afgrijzen (Dan. 12:2). Hun inwendige mens vlucht weg van het geweldige licht, dat hen vanuit het nieuwe Jeruzalem tegemoet straalt. Zij storten zich samen met de hen begeleidende machten in de poel van vuur, ver van het aangezicht van de Heer (2 Thess. 1:9). Zij verkiezen deze plaats, geheel in overeenstemming met hun keuze voor de duisternis in hun aardse leven. Nu worden ook de dood en het dodenrijk, de doodsmachten, geworpen in de poel van vuur. Zo zal ook de laatste vijand, de dood, teniet gedaan worden (1 Cor. 15:26). De bijbel noemt de poel van vuur de tweede dood (Openb. 20:14). Hij is het afschuwelijkste oord, dat men zich voor kan stellen: een concentratie van alles wat duisternis is en van allen die duisternis zoeken.  We hebben zojuist gezien dat ieder mens uiteindelijk terugkeert uit de eerste dood, het dodenrijk. Hierin is de inwendige mens geconserveerd in de situatie, die bij het sterven heerste. Het natuurlijke lichaam is daarentegen ontbonden. Wat de eerste dood is voor de uitwendige mens, is de tweede dood voor de ziel en de geest. De inwendige mens wordt volledig ontbonden. Alle glorie en luister wordt hem ontnomen. Het eeuwige vuur verteert alles; niets en niemand heeft nog maar enige statuur. Alleen hun ‘worm’ blijft over, het beeld van de totaal onttakelde en volledig, tot op de grond toe gesloopte ziel en geest van de mens. Deze sterft niet, het vuur wordt niet uitgeblust (Marc.9:48). Eeuwig zullen de machten elkaar, en de menselijke ziel en geest pijnigen! Verschrikkelijk!

Nogmaals wijzen we erop, dat deze plaats voor de duivel en zijn engelen is bereid en dat de mens er dus feitelijk niet thuishoort (Matth. 25:41). Dat er ondanks dit toch mensen in de tweede dood terecht komen, is een gevolg van hun keuze! Niemand komt daar tegen zijn zin! God wil, dat alle mensen behouden worden en de waarheid leren kennen. (1 Tim. 2:4). Hij kan dit evenwel slechts realiseren, als de mens kiest voor het geluk dat hem in Jezus Christus wordt aangeboden, of tijdens zijn leven blijk geeft het goede te willen uitwerken en zodoende een afkeer heeft van het kwade (zie Jac. 2:13). Is dit niet het geval, dan gaat de mens verloren. Wanneer nu alle machten van de duisternis, de duivel, de Dood zelf (met zijn cipiers de doodsmachten), Apóllyon, de antichrist, de zonen van het verderf, degenen die in het duizendjarig rijk ongehoorzaam zijn geworden en allen, die in hun leven op aarde de duisternis verkozen hebben voor het licht, terecht gekomen zijn in de poel van vuur, die van zwavel brandt, is het gehele heelal bevrijd van alles, wat het licht heeft tegengestaan. Nu kan de laatste fase van het herstelplan uitgevoerd worden.   

De tijd ná het duizendjarig rijk

Zij die in het boek van het leven geschreven stonden, komen na het laatste oordeel op de vernieuwde aarde. Zij mogen daartoe hun inwendige mens overkleden met een opstandinglichaam, dat niet meer onderworpen is aan plaats of tijd. Deze omhulling is soortgelijk aan het verheerlijkte lichaam, waarin de zonen Gods verkeren, doch niet identiek. Alleen overwinnaars hebben een lichaam aan dat van hun Heer gelijkvormig (ver-heer-lijkt), de anderen bezitten een opstandinglichaam, dat in glans en heerlijkheid daarvan verschilt. De statuur van hen, die tot de tempel behoren, is anders dan van hen, die tot de stad behoren en van hen, die daar nu nog binnengeleid moeten worden. De ene ster verschilt in glans van de andere (1 Cor. 15:41). Allen samen weerspiegelen zij de veelkleurige wijsheid van God. De mensen, die uit het dodenrijk teruggekomen zijn, verkeren wat hun inwendige mens betreft, nog in exact dezelfde situatie, die bij het sterven aanwezig was, dus nog beschadigd, de een meer, de ander minder. Wij denken hierbij ook aan de zwakzinnigen en aan de zwakbegaafden en aan de embryo‘s. Allen komen op de nieuwe aarde in het klimaat van het Koninkrijk  van God. Zij ontvangen dan al wat voor hen verborgen was gebleven, maar waar zij wel naar hadden verlangd. Allen zullen moeten worden hersteld en na de doop in de Heilige Geest tot geestelijke volwassenheid geleid moeten worden. Tevens zullen de vele vroeg gestorven kinderen en de ongeboren vruchten nu opgevoed moeten worden, waarna ook dezen de geestelijke ontwikkeling kunnen gaan doormaken. In Openbaring 21:2 lezen we, dat het nieuwe Jeruzalem, dus stad én tempel, uit de hemel neerdaalt op de aarde. Dit is een beeld van het feit, dat zij haar taak op aarde opvat om al het overweldigde te herstellen en het beschadigde te genezen. Haar poorten staan wagenwijd open en miljoenen stromen naar binnen om het herstel te ontvangen.

Omdat er geen machten meer hoeven te worden uitgedreven, maar alleen de boodschap van het Koninkrijk van God gebracht moet worden, kunnen nu ook de leden van de stad actief meedoen. Het herstel, dat zij in een eerder stadium via de gemeente, de tempel, hebben ontvangen, kunnen zij nu ook doorgeven. Op deze wijze zal God alle tranen van de ogen der volken afwissen, de dood zal er niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite (Openb. 21:4). De mensen worden genodigd deel te nemen aan de bruiloft van het Lam, die nog steeds doorgaat. De feestvreugde wordt wéér groter. Ook zij worden gelaafd en verkwikt aan de tafel van mergrijke, vette spijzen en van gezuiverde, belegen wijnen (Jes. 25:6). 

De boom en het geboomte van het leven

In Openbaring 22 beschrijft Johannes nog een ander beeld van de zojuist geschetste situatie. Hij ziet het paradijs met de boom van het leven, Jezus Christus, het geboomte van het leven, beeld van de gemeente, staande aan een machtige stroom, de Heilige Geest. Aan weerszijden groeit het levenshout, beeld van allen, die door de gemeente tot volkomenheid zijn gekomen. Ook zij drinken van het water uit de stroom, dat wil zeggen, zij zijn vervuld met de Heilige Geest. De bladeren van het geboomte van het leven, zo staat er in Openbaring 22:2, zijn tot genezing van de volken. Iedereen die dorst heeft, kan komen en neemt gratis van het levenswater (Openb. 22:17). Allen worden hersteld, gelaafd en verkwikt.

Als dan tenslotte de hele mensheid op de vernieuwde aarde vervuld is met Gods Geest en tot volkomen volwassenheid uitgegroeid is, is het einde gekomen van de bruiloft van het Lam. Het herstelplan is door Jezus Christus van het begin tot het einde uitgevoerd. Nu kan God werkelijk zijn bruid, de mensheid, tot Zich nemen en de Zijne maken. In haar wezen is zij geheel op het niveau van haar Schepper gekomen. Dit is waar God altijd naar verlangd heeft: mensen met zijn beeld en naar zijn gelijkenis, zowel in wezen als in werken. Wat zal er een vreugde in de hemel zijn, dat ondanks alle tegenwerking van het rijk van de satan, dit doel toch gerealiseerd is en tegelijkertijd de tegenstander volkomen is tenietgedaan. Dan is ook het moment aangebroken, dat Jezus, zijn opdracht geheel vervuld hebbende, het koningschap zal overdragen aan de Vader, Hij, de Zoon, werd destijds waardig bevonden de boekrol te openen (Openb. 5). Op geweldige wijze heeft Jezus Zich van zijn taak gekweten: Hij heeft de mensen de Vader doen kennen (Joh. 1:18), wie Hem zag, zag de Vader (Joh. 14:9); Hij heeft als Lam Gods de zonde van de wereld weggenomen (Joh. 1:29), waardoor de mens als volmaakt rechtvaardige kon gaan uitgroeien tot het doel van God; Hij is een oorzaak geworden van eeuwig geluk (Hebr. 5:9); Hij heeft vele zonen tot heerlijkheid geleid (Hebr. 2:10); het rijk van duisternis en van de dood heeft Hij met zijn gemeente volledig teniet gedaan, de hele schepping is door Hem hersteld; alle mensen zijn door zijn evangelie tot de geestelijke volwassenheid gekomen. Hiervoor zij alle lof, eer en glorie aan Jezus Christus, onze Heer!

Maar ook déze Zoon van God, de eerste onder alle broeders,

‘in Hem heeft heel de volheid willen wonen’ (Col. 1:19)

en tot wie alle dingen geschapen zijn (vers 16), erkent dat dit alles slechts door het werk van de Vader in Hem tot stand is gekomen. Daarom zal Jezus, bij het teruggeven van zijn opdracht, ook Zichzelf onderwerpen aan Hem, die Hem alles onderworpen heeft, zodat God alles in allen zal zijn. (1 Cor. 15: 28). Dit is een moment in de geluksgeschiedenis, dat feitelijk niet te beschrijven valt. Woorden schieten tekort om de enorme vreugde te omvatten. De hemel en de aarde breken uit in gejubel en gejuich: God alles in allen, groter vreugde bestaat niet. Tegelijkertijd buigen alle mensen, Jezus Christus en de heilige engelen zich in diepe aanbidding neer voor God, de Eeuwige Vader, de onmetelijke grote God en verheerlijken Hem!   

En daarna…

Wat er  zal gebeuren, als het huwelijk tussen God en de mensheid voltrokken is, vertelt de Bijbel ons niet. Een huwelijk is het begin van een nieuw leven. Zo ook nu: in wezen begint het nu pas goed!Paulus werd eenmaal opgetrokken tot in de derde hemel en hoorde daar onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken (2 Cor. 12:4). Deze derde hemel komt na de tweede, de vernieuwde hemel, die wij kennen vanuit het voorgaande.  Paulus heeft dus iets gezien van datgene wat nu gaat gebeuren, doch hij kon dat niet meedelen. Nóg grootser, nóg overweldigender zal die eeuwigheid zijn. In 1 Corinthiërs 13:13 staat:

‘Zo blijven dan geloof, hoop en liefde’!

Deze woorden lichten een tipje van de sluier op. Omdat de eeuwige Schepper, God de Vader, eeuwig actief blijft, zal de mensheid, die met God gehuwd is, een eeuwig geloof moeten hebben. Steeds weer zal Hij nieuwe dingen uitdenken, waaraan het geloof gehecht kan worden. Altijd weer zal God nieuwe verwachtingen oproepen, waarop de hoop gevestigd kan worden. Er zullen immer perspectieven blijven waar naartoe geleefd kan worden. Ook zal de liefde altijd blijven, want God is liefde. De band der volmaaktheid zal eeuwig tussen de volmaakten blijven bestaan. De mensheid gaat als Gods levenspartner een heerlijke toekomst tegemoet!

Wij danken God voor zijn enorm heilsplan met en door Jezus Christus en diens gemeente en voor alles wat daarna gaat komen. Met deze toekomst voor ogen, grijpen wij moed en wijden ons leven hier op aarde, in volle afhankelijkheid van Jezus Christus, aan Hem, onze grote God. Door lijden heen komen wij tot heerlijkheid, maar dan zullen wij ook gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid! Glorie voor God, de Vader en voor Jezus Christus, zijn Zoon, door de Heilige Geest. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Halleluja, Amen!