Aarde en hemel vluchten
‘De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.’ (Openb. 20:13-15)
Het laatste oordeel betreft de scheiding die in het dodenrijk tot stand wordt gebracht. Wij willen allereerst opmerken dat zich daar geen doden bevinden, die in Christus waren ontslapen. Dezen stonden immers op bij de eerste opstanding ten tijde van de wederkomst van de Mensenzoon vóór de slag van Harmágedon. Het gaat hier over de gestorvenen van alle eeuwen, die niet waren wedergeboren, dus over miljarden mensen vanaf Adam tot en met hen die met Gog en Magog ten onder gingen. Onder hen zijn goeden en kwaden, mensen die als rechtvaardigen hadden geleefd, maar ook velen die tot de goddelozen werden gerekend. Er zijn er die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid, maar het evangelie van Jezus Christus nooit hoorden, maar ook zijn er die tijdens hun aardse bestaan de duisternis van de demonenwereld liever hadden dan het licht van de ingeschapen wet van God, dus de stem van het geweten.
In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus deelde Jezus mee, dat er een absolute scheiding is in het dodenrijk. Er is sprake van een onoverkomelijke kloof tussen ‘de gezegenden van de Vader’ en ‘de vervloekten’. Lazarus (God is mijn hulp) is beeld van de zuchtende schepping, die reeds op aarde reikhalzend uitzag naar het openbaar worden van de zonen van God. Daarom werd Lazarus in de hades vertroost met de zekerheid van een opstanding ten leven. De rijke man sloeg evenwel de ogen op onder pijnigingen vanwege het feit, dat hij geen acht had geslagen op een van de minsten en geringsten onder de mensenkinderen. Hij bewoog zich dus niet in de lijn van het evangelie van Jezus Christus, waarnaar alle mensen zullen worden geoordeeld.
De onoverbrugbare kloof
De onoverbrugbare kloof betekent dus een eeuwige scheiding, die bij het laatste oordeel gehandhaafd zal blijven. Het gaat er dan om of de mens in zijn wezen één is geworden met de duivel of niet. Onder de ‘heidenen’ die Jezus niet kenden, was eenmaal de Romein Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling. Van deze militair van hoge rang werd gezegd dat hij godvruchtig was, een vereerder van God met zijn gehele huis en dat hij vele aalmoezen gaf en geregeld tot God bad. Ook de kapitein te Kapernaüm was het waard, dat Jezus hem een gunst bewees. Duidelijk wordt in het laatste gedeelte van de Olijfbergrede gesproken over de eindbestemming van zulke rechtvaardigen en barmhartigen. Zij ontvangen eeuwig leven. De onrechtvaardigen en onbarmhartigen gaan echter naar de eeuwige straf.
Wij weten dat alle zonden hun oorsprong vinden in de gemeenschap met de boze geesten. Er zijn echter twee categorieën zondaars. Zij die het kwade doen hoewel zij dit niet willen, en zij die willen zondigen. Paulus behoorde in zijn onbekeerde staat tot hen die belijden moesten:
‘Wat ik niet wil, doe ik, ik ellendig mens’.
Wanneer zulke mensen sterven, gaan de zonde(machten) niet met hen mee naar het dodenrijk. De bestemming van deze geesten is immers het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25:41). Daarom zeggen zij tot de Heer:
‘Bent U gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd’
door ons in het dodenrijk te werpen? Wanneer de mens sterft, laten de machten hem graag los. Zo’n gestorvene komt dan aan de lichtzijde van de kloof, waar ook Lazarus zich bevindt. Daar is nog een vorm van genade, een overblijfsel van leven, want er is aanwezigheid van ‘water’, beeld van verkwikking en leven (Luc. 16:24).
De zee, het dodenrijk
Een ander beeld van het dodenrijk is de zee. In vers 13 staat:
‘En de zee gaf de doden, die in haar waren’.
Het bovenste gedeelte van de zee heeft nog licht en lucht. De doden daar hebben nog leven in zichzelf. Er zijn evenwel ook mensen die bewust en opzettelijk zondigen. Zij hebben de duisternis liever dan het licht. Voor hen geldt: wie zich aan de duivel hecht, is één geest met hem. Wanneer zij sterven, weigeren zij de macht-(en) die met hen was-(waren) verbonden, los te laten. Zij nemen ze tegen hun wil mee naar het dodenrijk. Zo werd van Judas gezegd, dat hij een duivel was. Toen hij stierf, ging hij met zijn demon ‘naar zijn eigen plaats’ in de diepte van het dodenrijk (Hand. 1:25). Hij kwam dus aan de licht-loze zijde van de onoverbrugbare kloof, waar de zondemachten de eeuwige scheiding met God vormen, ‘want uw ongerechtigheden (uw machten) zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, (Jes. 59:2). Jezus sprak eenmaal over een man bij wie een molensteen om zijn hals was gehangen en die in de duistere diepten van de zee werd verzwolgen. Een treffend beeld van een mens die in de hades met een boze geest verbonden is. De onoverkomelijke kloof is dus de scheiding in het dodenrijk tussen de zielen die met hun demonen zijn verbonden en hen die bij hun sterven bevrijd werden van de machten.
Wat gebeurt er nu bij het laatste oordeel? De zonen van God staan wat de bevrijding van de zuchtende schepping betreft, nu voor hun laatste en grootste opdracht, want
‘de laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood’.
In deze oorlog tegen de Dood zelf (en zijn ondergeschikte cipiers, de doodsmachten), gaf Jezus weer het voorbeeld. Tijdens zijn leven op aarde overwon Hij de demonenlegers, maar na zijn sterven drong Hij de hades binnen om de dood van zijn kracht te ontroven (2 Tim. 1:10). De dood moest Hem loslaten en Jezus werd
‘het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is’ (Col. 1:18).
Bij deze gelukkige geboorte werden de weeën van de dood ontbonden, of hielden ze op (Hand. 2:24). Allen die in Hem zijn, hebben deel aan zijn opstanding en komen niet in de dood, want ze zijn in zekere zin mede-eerstelingen onder Gods schepselen (Jac. 1:18).
Overwinning over het hele dodenrijk
Bij het laatste oordeel doen de zonen van God iets wat zij tot dan nooit hadden gedaan en hun ook niet was geoorloofd. Zij dringen evenals hun Meester dit eenmaal deed, als overwinnaars het dodenrijk binnen, teneinde de zuchtende schepping aldaar te bevrijden. Zij overwonnen de antichrist en zijn heerlegers in het hemelse Harmágedon met als gevolg dat hij met het beest uit de afgrond in de poel van vuur werd geworpen. Zij zegevierden over Gog en Magog waarna de duivel met zijn engelen ook in de hel werd gesmeten. Nu gaan zij het dodenrijk ‘binnen’ en doen daar alle macht en kracht teniet, zodat alle banden van de dood worden overwonnen. Hoe lang deze voleinding der eeuw wel duren zal, is ons onbekend. Het gaat immers over een eeuwige en absolute scheiding tussen ontelbare vrijgekomen gevangenen. Duizenden jaren had het dodenrijk gezegd: geef, geef en nooit was het genoeg, maar nu breekt de ‘dag’ aan, dat het zijn bewaarden moet teruggeven (Spr. 30:15,16). De exodus van de gestorven mensheid is begonnen. Dood en zijn engelen, het dodenrijk, zullen dan als laatste vijanden in de buitenste duisternis worden toegevoegd aan het rebelse, geïsoleerde, satanische complot dat hen wacht. Helaas, velen die de duisternis beminden, komen dan ook in het eeuwige verderf, dat voor hen niet bereid was.
Eiland en berg vluchten weg
Er staat dat de aarde en de hemel vluchtten. Zij die de Bijbel letterlijk nemen en hem niet willen ‘vergeestelijken’, stuiten bij hun verklaringen op onoverkomelijke bezwaren, nog groter dan ze al hadden met hoofdstuk 6:14 en 16:20 waar vermeld wordt, dat bergen en eilanden van hun plaats werden gerukt, dat eilanden wegvluchten en bergen niet meer werden gevonden. Deze exegeten zetten daarom ‘aarde en hemel’ tussen aanhalingstekens, waarmee ze bedoelen dat die woorden figuurlijk moeten worden opgevat. Wat dit vluchten dan wel betekenen moet, wordt er niet duidelijker op. Wij zien ze evenwel als beelden van mensen en engelen, die letterlijk wegvluchten. Wanneer de cipiers van de ‘gevangenis’ zijn uitgeschakeld, dus de doodsmachten van hun kracht zijn beroofd, beginnen de vrijgekomen geesten ogenblikkelijk te vluchten voor het licht dat van de grote witte troon afstraalt. Wij zouden dit beeld willen vergelijken met een man, die met een sterke lamp in een donkere kelder schijnt. Het ongedierte raakt daar in paniek en vlucht naar alle kanten om schuiling te zoeken. Voor de boze geesten die met de slechte mensen verbonden zijn, is evenwel geen plaats meer in de hele schepping van God. De machten vluchten daarom naar de buitenste duisternis of het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Wij denken hierbij aan wat in Gadara plaatsvond, toen de demonen buiten ‘het land’ werden gezonden. Zij voeren in een kudde van ongeveer tweeduizend zwijnen, die volkomen bezeten langs de helling in de zee stormden. God werpt de mensen niet in de hel, maar door hun verbintenis met de onreine demonen zijn ze onmachtig en onwaardig te staan voor de Mensenzoon. Zij komen met de vluchtende demonen in het eeuwige vuur, waar de antichrist met het beest uit de afgrond, en de duivel met zijn engelen hen reeds vóórgingen. De lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars, met de wreedaards, de hardvochtigen, de occultisten, de despoten en de gierigaards, – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood (21:8).