Jezus, de Mensenzoon 1
Inleiding
Al vanaf de tijd dat ik erover begon na te denken met hoeveel voorkeur Jezus de uitdrukking ‘de Mensenzoon’ koos boven andere titels, heb ik naar een logische verklaring gezocht. Het is boeiend om te zien hoe Jezus directe confrontaties, zoals:
‘Bent U de Messias?’
uit de weg ging door een indirect antwoord te geven, waarin lag opgesloten, dat Hij de Mensenzoon was. Om achter de reden van deze bewuste woordkeus te komen, heb ik een aantal boeken doorgenomen, die over dit onderwerp handelen. Zij gaven mij een bredere kijk op deze zaak, maar maakten het mij tegelijkertijd moeilijk dit verschijnsel te begrijpen. In ieder geval heb ik overvloedig van hun technische gegevens gebruik gemaakt. Ik ben van oordeel dat de eigenlijke betekenis van de Mensenzoon eenvoudig kan worden afgeleid van het gebruik van deze benaming in de evangeliën. De evangelisten schijnen zich niet bewust te zijn dat deze titel ook maar enig probleem zou kunnen oproepen; er is géén uitleg voor hun lezers.
Aan de andere kant komen we toch in Johannes 12:35 de vraag tegen:
‘Wie is deze Mensenzoon?’
Deze kwestie wordt in een gezelschap van godvrezende Grieken en Joden opgeworpen. Dezen beseften dat er een nauw verband bestond tussen de Christus en de Mensenzoon, maar volgens hen kon de Christus, zoals zij die kenden uit de wet, niet identiek zijn met de Mensenzoon, op wiens titel Jezus aanspraak maakte. Voor de schrijvers van de evangeliën was het Messiasschap van Jezus een ‘fait accompli’, een voldongen feit. Zij richtten zich tot een gemengd gezelschap van lezers. Het is opmerkelijk dat Mattheüs aan de Joden en Lucas aan de heidenen schrijft. Voor zover hun lezers niet-christenen waren, probeerden zij hun aan te tonen dat Jezus de Christus was. Als bewijs voerden zij aan, dat, hoewel Jezus stierf, God Hem uit de dood opwekte. Zelf geloofde Jezus dat Hij die bijzondere Mensenzoon was, wiens handelen Hij verklaarde en wiens toekomst Hij voorzegde. Er bestaat ook nog een collectieve gedachte van dit begrip in verband met de volgelingen van Jezus, namelijk van ‘de zonen van God’ (Rom. 8:19). Zij moeten zich gedragen zoals hun Meester en kunnen in de wereld ook dezelfde behandeling verwachten. Wij moeten deze overeenkomst niet verwarren met ‘het lichaam van Christus’, een uitdrukking die het Paulinische denken zo beheerst. Galaten 3:28 geeft deze weer met de woorden:
‘Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: Jullie zijn allen immers één in Christus Jezus’.
Mensenzoon en Zoon van God
Men zegt wel eens dat Jezus de omschrijving ‘Mensenzoon’ aannam om zijn mens-zijn te benadrukken. Tijdens zijn leven op aarde was er evenwel geen enkele noodzaak om dit onbetwiste feit te accentueren; men kende Hem immers als mens! Ook de woordafleiding geeft geen enkel probleem. ‘Mensenzoon’ is een vertaling van de Semitische term ‘ben adam’ (Hebreeuws) of van ‘bar nasha’ (Aramees). Oorspronkelijk betekende het ‘mens’ in de gewone betekenis van ‘anthropos’ (Grieks) en ‘homo’ (Latijn). Wanneer de uitdrukking ‘Mensenzoon’ in de evangeliën gebruikt wordt, heeft zij echter geen betrekking op de mensheid, maar op één persoon. Dit zien we heel duidelijk in die ene zin, waar ze beide voorkomen, namelijk in Marcus 2:27,28 waar staat:
‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat! Zo is de Mensenzoon (Zoon van de mens) heer ook over de sabbat’.
Het gebruik van het predicaat ‘Mensenzoon’ schijnt meer problemen te geven. Zoals wij hierboven aantoonden, maakt de Mensenzoon deel uit van de mensheid, maar wij mogen hier niet uit afleiden dat ieder willekeurig persoon deze bijzondere plaats van Mensenzoon (Zoon van de mens) kan innemen. Men kan geen enkel ‘mens’ vervangen door ‘de Mensenzoon’. Velen zoeken naar een duidelijke betekenis van deze titel en stuiten daarbij op de claim van Jezus, dat Hij de ideale of bijzondere mens is, in wie de mensheid haar hoogste exponent heeft gevonden. Er begint zich hiermee een scherp contrast af te tekenen met de uitdrukking ‘Zoon van God’. Deze laatste titel houdt de goddelijkheid van Jezus in. Jezus heeft echter nooit ronduit gezegd, dat Hij de Mensenzoon was. Uit de context blijkt evenwel dat wij deze titel rustig mogen afwisselen met de naam van de mens Jezus. De parallelverhalen in de evangeliën wijzen hier ook op. Neem bijvoorbeeld de eerste aankondiging over het lijden. In Mattheüs 16:21 wordt meegedeeld dat Jezus sprak over zijn lijden, terwijl Marcus 8:31 en Lucas 9:22 Jezus citeren met de woorden:
‘De Mensenzoon moet veel lijden…’
Jezus maakt duidelijk onderscheid tussen het ‘Ik’ van de spreker en zijn beschrijving van de Mensenzoon, wanneer Hij spreekt over diens doen en laten van iedere dag, over de aankondiging van diens lijden dat binnenkort zou plaats vinden, en diens wederkomst.
Gehoorzaamheid
De levensloop van de Mensenzoon schijnt van tevoren te zijn vastgesteld. Jezus was Zich ten volle bewust van de voorrechten en de verantwoordelijkheden van deze rol. Het bijzondere begrip van ‘Mensenzoon’ met alles wat dit omvatte, werd niet door het verstand van een mens voortgebracht, maar vond zijn oorsprong in God. De verwezenlijking van dit begrip werd door de gehoorzaamheid van Jezus gerealiseerd. Deze onderworpenheid werd niet gekenmerkt door dwang, maar zij was een vrijwillige herkenning en vereenzelviging met die mens, die door de mond der profeten sprak:
‘Zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen’ (Ps. 40:8 en Hebr. 10:7).
Deze vrijwillige onderworpenheid aan het woord van God, werd door Jezus samengevat in Johannes 10:17,18:
‘Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder op te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weer op te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen’.
Naar Gods beeld geschapen
Jezus, die als mens naar Gods beeld geschapen was, functioneerde ook volledig naar Gods wil. Vanuit Gods gezichtspunt is Jezus de mens ‘par excellence’. Dit betekent niet dat Hij als zodanig ook door de meerderheid van de mensen werd gewaardeerd. Te midden van zijn tijdgenoten hield Jezus nadrukkelijk aan zijn eigen omschrijving als Mensenzoon vast. De vraag in Johannes 9:36 wordt door een pas genezen man gesteld: ‘Wie is de Mensenzoon, Heer, dat ik in Hem moge geloven?’ Jezus beantwoordt deze vraag heel eenvoudig met te zeggen: ‘Je kijkt naar Hem’ en ‘Hij spreekt met je’. Men kon de Mensenzoon waarnemen door middel van zijn verschijning, zijn handelen en zijn spreken. Hier was geen geestelijk onderscheidingsvermogen voor nodig. Op het Vernieuwingsfeest in Johannes 10:22-39 dagen de Joden Jezus uit om te erkennen dat Hij de Christus is. Na zijn belijdenis dat Hij inderdaad de Zoon van God is, besluiten zij Hem te stenigen. De Heer verwijst dan weer naar zijn werk en vraagt hun welke van die goede werken hun wet veroordeelde. De moeilijkheid lag erin dat de aanspraak van Jezus, ‘Zoon van God’ te zijn, niet in hun theologie paste. Jezus weerlegt dit foutieve inzicht ook met de woorden uit Psalm 82:6, waar staat: ‘Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden?’ God Zelf getuigde van deze werkelijkheid, toen Hij sprak:
‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb’ (Matth. 3:17).
’U bent de Christus, de Zoon van de levende God’
Rechtschapen mensen zoals Elisabeth, de oude Simeon, de profetes Anna en Johannes de Doper, werden door de Heilige Geest ingelicht, dat Jezus de Christus was. Zelf wijst de Heer erop dat ze de openbaring betreffende Hemzelf, aan Petrus gegeven, namelijk: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God’, door de Vader was geïnspireerd. De geestelijke wereld was goed ingelicht over deze status van Jezus, want ‘van velen voeren ook boze geesten uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoon van God’ (Luc. 4:41). Het begrip Mensenzoon is nauw verbonden met ‘de Zoon van God’. We zien dit bij Paulus, wanneer hij schrijft over ‘de eerste en de laatste Adam’ (1 Cor. 15:45,46). De laatste Adam is zowel een levende ziel als een levendmakende of leven gevende geest. De volgorde is: eerst de natuurlijke en dan de geestelijke mens. Jezus ging om met een natuurlijk volk, dat Hij als de Mensenzoon benaderde. Op hun beurt konden de Joden de waarde van Jezus’ prediking en handelen toetsen op grond van Schriftuurlijke normen.
Uitspraken van de Mensenzoon
De term ‘Mensenzoon’ komt ongeveer tachtig maal in de evangeliën voor. Deze titel is uniek in de zin, dat hij alleen door Jezus Zelf wordt gebruikt. Zijn leerlingen bezigden deze aanduiding niet. Stéfanus doet dit echter wel. Hij getuigde: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend en de Mensenzoon staan aan de rechterhand van God’ (Hand. 7:56). De uitspraken over de Mensenzoon kunnen in drie hoofdgroepen worden verdeeld in verband met:
- Zijn handel en wandel.
- Zijn naderend lijden.
- De openbaring:
A. van zijn heerlijkheid; B. als Christus; C. van zijn komst in zijn Koninkrijk; D. van zijn komst op de wolken; E. van het oordeel.
Alle evangelisten behandelen deze onderwerpen, hoewel de uitspraken van Johannes zich duidelijk onderscheiden van die uit de synoptische (de drie andere) evangeliën. Mattheüs, Marcus en Lucas geven in hun beschouwing deze drie chronologische fasen weer, terwijl Johannes zich in zijn uiteenzetting meer bezighoudt met het bovenzinnelijke. Men heeft de uitspraken die hierover gaan, geweld aangedaan, door ze binnen dit synoptische raamwerk te plaatsen, teneinde de evangeliën als een eenheid te kunnen hanteren.
Zijn handel en wandel
In Johannes 1:51 begroet Nathánaël Jezus als de Zoon van God, nadat hij met Jezus’ bovennatuurlijk inzicht was geconfronteerd. De Heer verzekert hem dat hij grotere dingen zou zien, namelijk de correlatie, of de wederzijdse betrekking tussen de Zoon van God en de Mensenzoon. Deze communicatie tussen de geopende hemel en de Mensenzoon op aarde is tot stand gebracht en wordt verder gecontinueerd. Jezus is heel inschikkelijk om een zichtbaar bewijs te geven van zijn geestelijke macht. In Kapernaüm zien we het geloof van enkele vrienden van een verlamde man, die deze met veel moeite bij Jezus brengen (Marc. 2:10). Het verwachte wonder gebeurt niet ogenblikkelijk, maar in plaats daarvan vergeeft de Heer de man zijn zonden. Dit is een directe weerlegging van de leer van de schriftgeleerden, hetgeen dan ook de verwachte reactie oplevert. De toeschouwers zijn pas van de waarde van deze vergeving van zonden overtuigd, nadat Jezus de lamme heeft genezen. Het argument is eenvoudig: als Hij de macht heeft om de ziekte te genezen, waarover verder geen enkele twijfel bestaat wanneer een lamme weer loopt, dan heeft Jezus óók de macht om zonden te vergeven! De vraag blijft natuurlijk of deze macht van God komt of van de duivel. De Heer neemt de twee mogelijkheden in ogenschouw: als Hij door de macht van de satan de satan uitdrijft, dan is diens koninkrijk verdeeld en gaat het onder, maar als het door de Geest van God gedaan is, hadden zij een ervaring van het eeuwig Koninkrijk Gods meegemaakt. Met deze uitleg stelt Jezus vast, dat de aard van geestelijke lastering en smaad niet gelijk staat met zonde en god onterende taal in de natuurlijke wereld. Hij maakt duidelijk verschil tussen het verzet tegen de Mensenzoon en tegen de Heilige Geest. Mensen die aan de eerste overtreding schuldig staan, kunnen vergeving ontvangen, maar zij die een aanval op de Heilige Geest doen, zullen nooit van schuld gereinigd worden (Matth. 12:32 en Luc. 12:10). Hieruit blijkt dat deze laatste personen met duivelse krachten hebben gewerkt.
Een goede boom, die goede vrucht voortbrengt
De relatie tussen de Mensenzoon en de Heilige Geest wordt vergeleken met een goede boom, die goede vrucht voortbrengt. Als men de vrucht goed acht, dan ook de boom. Zo is het ook wanneer men de Mensenzoon juist beoordeelt op grond van zijn goede en barmhartige werken; ook zijn bron, de Geest, is dan goed (Matth. 12:33). Zo is de Mensenzoon de zaaier van goed zaad. In de gelijkenis worden de onderdanen van het Koninkrijk vergeleken met de tarwe; het onkruid dat in hun midden is, zijn de onderdanen van satan. Wat de halmen betreft, gelijkt het onkruid op de tarwe, maar wanneer het volgroeid is, valt een duidelijk onderscheid van beider vrucht waar te nemen. Jezus trekt ook parallellen tussen bepaalde Schriftgedeelten en zijn gedragingen. Hij toont daardoor aan welke geest werkzaam was. Toen zijn leerlingen het onderwerp werden van een discussie over het plukken van aren op de sabbat, neemt Jezus David met zijn mannen als voorbeeld. Hij stelt vast dat de sabbat en ook de andere verordeningen, ten behoeve van de mens waren gemaakt. Het was nooit de bedoeling geweest, dat de mens ooit slaaf zou worden. Dit was een vingerwijzing voor de Farizeeën, die met hun voorschriften en inzettingen de mensen onderwierpen.
Twee totaal verschillende levenswijzen
Over het algemeen waren de denkbeelden en levensopvattingen van de Farizeeën totaal verschillend met de levensstijl van Jezus. Toen één van de schriftgeleerden een leerling van de Heer worden wilde, wees deze op zijn bescheiden bestaan met de woorden:
‘De Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen’ (Matth. 8:20).
Natuurlijke rijkdom en welvaart werden door de Joodse leidslieden als directe zegen van God gezien. Jezus, de Leraar, vond geen bevrediging in deze conventionele opvatting. De Mensenzoon was geen asceet of kluizenaar, maar iemand die zich midden in het gewone leven bevond (Matth. 11:19). Ook pasten de mensen op Hem het gezegde toe: ‘Toon mij uw vrienden en ik zal zeggen wie gij zijt’. Jezus stelt evenwel dat zijn omgang met zondaars Hem nog niet tot een slecht mens maakt. Neen, juist zijn rechtvaardige daden, die Hij verrichtte onder lieden van de zelfkant der maatschappij rechtvaardigden Hem. Hij ging niet alleen om met het uitschot van het volk, maar zijn positieve invloed werd ook heel direct onder hen ervaren.
‘Want de Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken én te redden’ (Luc. 19:10).
Toen de leerlingen bij elkaar waren, liet Jezus hen zien dat zij, teneinde groot te zijn in het Koninkrijk Gods, elkaars dienaren moesten worden, zoals de Mensenzoon Zichzelf als voorbeeld had gesteld (Marc. 10:45). Van de buitenstaanders kunnen zijn volgelingen alleen maar verwerping en mishandeling verwachten vanwege hun relatie met de Mensenzoon. Het begrip ‘de Mensenzoon’ wordt hun zo geleidelijk bijgebracht door de bijzondere kwaliteiten die Jezus openbaarde. Van zijn volgelingen wordt gevraagd om niet alleen te wandelen zoals Hij, maar bovenal om dezelfde geestesgesteldheid te bezitten.
Het naderende lijden
De voorspellingen over het lijden en sterven van Jezus herinneren ons aan de profetische gezangen over de lijdende knecht van de Heer:
‘Want de Mensenzoon is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Marc. 10:45).
Het is of deze tekst ons een samenvatting geeft van de opdracht, die op de schouders van de knecht van Jahweh was gelegd. Jesaja geeft een duidelijk beeld van diens karakter en roeping. Hoewel Jezus Zich bewust moet zijn geweest van de inhoud van deze passages, zinspeelt Hij er nooit direct op. Er bestaat geen aanwijzing dat Jezus Zichzelf in dit ‘mensenkeurslijf van de Zoon’ dwong, teneinde te bewijzen dat Jesaja over Hem sprak (Jes. 42:1-7; 49:1-6; 50:4-9; 52:13-15). Deze gedeelten kunnen worden gezien als een bevestiging van de unieke rol die Hij in de ogen van God en mens speelde. Met zoveel tegenstand moet het bemoedigend zijn geweest, deze herkenningstekenen in de Schrift te vinden. Zij gaven Hem de bevestiging dat Hij de goede zaak diende. Het evangelie van Marcus laat ons een heel gedetailleerde ontwikkeling zien tijdens de periode die aan zijn lijden voorafgaat. De eerste ontmoeting met dit aspect van de Mensenzoon is voor Petrus moeilijk te verwerken. Hij die juist beleden had dat Jezus de Zoon van God was, vindt dit lijden onaanvaardbaar (Matth. 8:31,32). Petrus meent Jezus op dit punt te moeten corrigeren.
Elia wél gekomen, maar niet herkend
Na de verheerlijking op de berg trachten de leerlingen de Mensenzoon in de leer van de schriftgeleerden te passen (Marc. 9:2-13). Hun conclusie is dan dat Elia eerst moet komen. Jezus bevestigt dat Elia al gekomen was, maar dat men hem niet herkend had. Deze opmerking had betrekking op Johannes de Doper als zijnde de Elia die nog komen moest. Deze herkenning werd voorafgegaan door een voorwaarde, namelijk: ‘Indien u het wilt aanvaarden’ en ‘wie oren heeft, die hore’ (Matth. 11:10-15). Johannes zelf had ontkend dat hij de Elia was en bracht zijn positie opnieuw onder woorden: ‘Ik ben de stem van één die roept in de woestijn’ (Joh. 1:23). De Joden keken uit naar een uiterlijke gelijkenis, maar Johannes de Doper ging uit in de geest en in de kracht van Elia (Luc. 11:16,17). Hij was met de Heilige Geest vervuld vanaf de schoot van zijn moeder. Elia en Johannes de Doper waren aan diezelfde Geest te herkennen. Eliza had blijk gegeven dat hij wel inzicht had, want zijn laatste verzoek aan Elia was:
‘Zo moge een dubbel deel van uw geest op mij zijn’ (2 Kon. 2:9).
Schriftgeleerden laten doodstraf uitvoeren door heidenen
Het laatste bedrijf verplaatst ons naar Jeruzalem, het religieuze centrum. De priesters en de schriftgeleerden zijn de aanstichters en de ‘masterbrains’, die de heidenen zullen gebruiken om de doodstraf uit te voeren. Tegelijkertijd maakt Jezus melding van de hoop die er is: zijn opstanding uit de doden (Marc. 10:33 en Luc. 18:31). Het is allemaal moeilijk te begrijpen, maar de leerlingen doen verder geen pogingen om Jezus hierover te ondervragen. De uitleg van deze komende beproeving vinden we in de uitspraak, dat de Mensenzoon kwam om zijn leven te geven als losprijs voor velen (Marc. 10:45). Aan de vooravond van de vervulling van deze aankondigingen wijst Jezus op de persoon die de eerste aanzet doet, die zal leiden tot een reeks van opvolgende gebeurtenissen. Het is één uit de eigen kring (Marc. 14:21 en Luc. 22:22). Na een hevige geestelijke strijd kondigt Jezus nogal plastisch aan:
‘Het uur is gekomen, zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaren’ (Marc. 14:41).
De Heer toont hier het opmerkelijke contrast tussen de Mensenzoon en de mensen, die door hun zonden gekenmerkt worden. Wanneer men dit spoor van voorspelde gebeurtenissen volgt, kan men ervan verzekerd zijn dat Jezus niet het slachtoffer was van het noodlot of van de sluwheid van zijn tijdgenoten. Hij handelt bewust naar de gegevens, dat de Mensenzoon heengaat gelijk van Hem geschreven staat (Marc. 14:21). Na de opstanding worden de leerlingen aan de woorden van Jezus betreffende zijn dood en opstanding herinnerd. Eerst dan begrijpen zij er de volle betekenis van.