Jezus’ naam en Jezus zelf
Een schizofrene god?
Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen (Joh. 6:37).
Deze uitspraak van Jezus heeft tot de grootst mogelijke misvattingen geleid. Men heeft hieruit een leer gedestilleerd, dat de mens rustig moet afwachten, of hopen, of bidden, totdat de Vader hem tot Jezus trekt. Jezus heeft immers gezegd, dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader hem trekt. Zonder het trekken van de Vader is het onmogelijk tot Hem te komen. Dus, is de lichtvaardige conclusie, het hangt van het trekken van de Vader af. Doet de Vader dit niet, dan ben je verloren. Uit deze gedachtegang is artikel 16 van de geloofsbelijdenis van de gereformeerde kerken geboren, waarin wordt beleden dat de Vader (willekeurig) bezig is sommigen tot Jezus te trekken en anderen verre van Hem te houden, om hen te verderven.
Jezus sprak eens dat het de Vader was, die Hem eert (Joh. 8:54). De Vader eert de Zoon, omdat Hij op zijn Zoon wijst en zegt:
‘Hoor naar Hem’.
De Vader eert de Zoon, omdat Hij mensen tot de Zoon trekt. Wanneer de Vader dan ook zonder redenen bezig is sommigen van de Zoon vandaan te houden, naar zijn verkiezing, zoals het dan luidt, is Hij tegelijkertijd bezig met het onteren van de Zoon. De Dordtse vaderen geven niet de indruk in hun geschriften, dat ze dit doorzien hebben. Zij lanceren een schizofrene godheid: barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig, omdat Hij sommigen in Christus Jezus uitverkoren heeft, rechtvaardig omdat Hij anderen in hun zonden laat, buiten Jezus, om het eeuwige verderf te ontvangen. Alsof zijn barmhartigheid en rechtvaardigheid bij God strijden om de voorrang. Zijn barmhartigheid is dan een reden om je te verblijden, maar zijn rechtvaardigheid is uitsluitend bedoeld om mensen te verderven. Letterlijk zegt artikel 16 over het woordje rechtvaardig:
‘Doordien Hij de anderen laat in hunnen val en verderf, waar zij zichzelven in geworpen hebben’.
Deze vooropgezette gezindheid van de Vader is onterend voor de Zoon. Zonder twijfel, dit is een schizofrene god. Wie Hem kent, zal zich echter ook verblijden over zijn rechtvaardigheid, waardoor mensen gered worden! Juist diegenen, die zweren bij de belijdenisgeschriften, spreken vaak over het uit hun verband trekken van teksten. Wil men echter die belijdenis vasthouden, dan moet men zichzelf hieraan wel zeer bezondigen, zoals ook de opstellers van die belijdenis gedaan hebben. Het fragmentarische schriftgebruik van de belijdenisgeschriften springt overduidelijk in het oog. Bij het afwijzen van de Dordtse verklaring over het al of niet trekken van de Vader – een leer, waardoor nog vele oprecht zoekenden misleid worden – blijft voor ons echter de vraag over, wat er dan wél mee bedoeld wordt.
De voordelen van het geloof
Wanneer Jezus tot de schare spreekt, dat niemand tot Hem komen kan, tenzij de Vader hem trekt, dan zijn dit mensen, die daags tevoren op wonderlijke wijze door Hem gespijzigd waren. Met vijf gerstebroden en twee vissen verrichtte de Heer het wonderteken van de spijziging van vijfduizend mensen. Toen ze de volgende dag opnieuw tot Jezus kwamen, doorzag de Heer dat ze niet kwamen, omdat ze een teken gezien hadden, maar omdat ze van de broden verzadigd waren. Ze waren gericht op de zichtbare en tijdelijke voordelen van het geloof in Hem. Op dezelfde goedkope manier wilden ze nu ook weer gevoed worden. Ze kwamen niet om Hemzelf, of om de tekenen die Hij deed (die toch een getuigenis waren van zijn grote kracht), maar ze kwamen om de spijs, die vergaat. Tallozen doen vandaag de dag hetzelfde. Zij zoeken de gezellige geborgenheid van een gemeente, het voordeel van genezing naar geest of lichaam, of zij trachten door het zorgvuldig offeren van tienden financiële voordelen te behalen. Allemaal redenen, waarom men tot Jezus kan komen. Jezus zegt tot de menigte dat ze moet zoeken naar de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven (Joh. 6:27). Die spijs is Hijzelf, zijn vlees en zijn bloed. Geen wonder dat mensen die gericht zijn op de zichtbare en tijdelijke dingen deze rede hard vinden 9Joh. 6:60), want de Heer geeft hier de indruk zijn volgelingen tot kannibalisme aan te sporen. Bovendien veracht hij de overlevering van de ouden, door misprijzend te spreken over het manna, waardoor de vaderen in de woestijn gevoed waren. Het manna was toch een gave van God, rechtstreeks uit de hemel. ‘En ze zijn gestorven’, spreekt de Heer. Zijn leerlingen vinden die rede hard. Hij spreekt denigrerend over de vaderen, alsof dat niets was en Hij het alleen weet.
De leerlingen blijven in de navolging van Jezus steken in de zichtbare dingen. Ze begrijpen de woorden van de Heer niet, als Hij zegt dat het de Geest is, die levend maakt en het vlees geen nut doet.
‘De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven’ (6:63).
Ook de woorden over het eten en drinken van zijn vlees en bloed. Het zijn woorden, die betrekking hebben op de eeuwige dingen. De leerlingen begrepen er niets van en verlieten Hem daarom ook. Hun geestelijke nageslacht zou later de leer der transsubstantiatie uitvinden, om via een achterdeur toch bij Jezus te kunnen blijven. Ondubbelzinnig spreekt de Heer echter tot hen allen:
‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij’ (6:65)
Als het dan onmogelijk is om tot Hem te komen, als je op zoek bent naar de tijdelijke dingen, om welke redenen zal de Vader je dan tot Hem trekken?
Ook een scheiding in Pinksteren
De Vader trekt. Zijn ogen doorlopen de hele aarde om krachtig henbij te staan, van wie het hart volkomen naar Hem uitgaat. Wie zijn het die de Vader trekt? Het zijn de mensen, die besef hebben van de geestelijke dingen. Die op zoek zijn naar waarheid en gerechtigheid. Het zijn mensen, die voldoende ‘geest’ bezitten. De profeet Maleachi veroordeelt de ontrouw in het huwelijk en zegt daarbij (Mal. 2:15):
‘Niet één doet zo, die voldoende geest bezit, want wat zoekt de éne? Het zaad van God!’
Dit is karakteristiek voor allen, die tot Jezus komen door het trekken van de Vader. Ze zijn op zoek naar het zaad van God. Jezus is het zaad van God. Het zaad van God is geestelijk, het is vrede, gerechtigheid en blijdschap door de Heilige Geest. Van zulke mensen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, geldt, dat ze door de Vader getrokken worden. Ze komen niet in de eerste plaats om brood. Ook niet om allerlei andere tijdelijke heerlijkheden zoals geld, kinderen, gezondheid, enzovoort. Ze zoeken de dingen van het Koninkrijk der hemelen, het zaad van God. Alle zoekers naar het zaad van God worden door de Vader tot Jezus getrokken, want Hij is de volkomen uitdrukking van het zaad van God.
Wanneer wij deze bijbelse maatstaf hanteren, dan constateren wij, dat velen, ook binnen de evangeliebeweging, niet hieraan voldoen. Er zijn velen die uitsluitend zoeken naar de tekenen en het brood, maar niet naar Jezus Zelf. In Johannes 2:23 e.v. lezen wij van Jezus in Jeruzalem op het Paasfeest. ‘Daar geloofden velen in zijn Naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed’. Wij trekken de vergelijking met de hedendaagse evangeliechristenen, die onvoorwaardelijk geloven in de Naam van Jezus. Zij weten dat die Naam een kracht betekent. Dit geloof wordt niet door de Heer afgekeurd; mede daartoe deed Hij tekenen. Maar er moet wel iets meer op volgen. De afkeuring van de Heer geldt, wanneer men bij de tekenen en het geloof in de Naam blijft staan en geen stap verder komt op de weg van het Koninkrijk van God.
Veel Pinksterchristenen zoeken uitsluitend de tekenen; iedere samenkomst draagt het karakter van een speciale genezings- en/of bevrijdingsdienst. Jaar in jaar uit horen ze dezelfde dingen over genezing en bevrijding. Ze vinden het storend, wanneer ‘alleen maar’ gesproken wordt over de geheimenissen van het Koninkrijk. Zij lijken op degenen, die in Jeruzalem geloofden in de Naam van Jezus; maar vers 24 uit Johannes 2 vervolgt:
‘maar Jezus zelf vertrouwde Zichzelf hen niet toe, omdat Hij hen allen kende. . .’.
Hier gaat het om Jezus wil, Zichzelf aan mensen toe te vertrouwen, wat meer is dan brood of tekenen. Het geloof in Zijn Naam garandeert nog niet het bezit van Hemzelf. Jezus wil Zichzelf aan mensen toevertrouwen, die het waard zijn. Dat zijn zij, die weten dat kennis meer is dan brood en heerlijkheid meer dan tekenen.
Zichtbare tekenen
Veel pinksterchristenen blijven steken bij de zichtbare tekenen. Zij zullen de toets niet kunnen doorstaan, wanneer ze zich niet bekeren en zich gaan richten op de ‘dingen die boven zijn’. Ze spreken in tongen, maar het lijkt soms meer op het nerveuze geratel van een mitrailleur dan op hemelse taal. Het heeft vaak meer van een scheldkanonnade tegen de satan dan van een rustige geloofstaal, die de verbondenheid met de Vader verdiept. Slechts daarvoor vrezen de duivelen. Ze verlustigen zich in uiterlijke tekenen, vooral die van genezing, en beseffen niet dat dit, hoe belangrijk op het moment ook, slechts betrekking heeft op het tijdelijke leven. De Geest van de Heer is aan het schiften, in de wereld, in de kerken, in de bewegingen en groeperingen en ook in het volle evangelie. Wij verwachten het openbaar worden van de zonen van God. Deze zonen van God zullen vóór alles uitmunten in gemeenschap met de Vader, zoals Jezus daarin uitmuntte. Vervolgens zullen zij bezig zijn met leren, zoals Jezus overal bezig was de mensen te leren aangaande het Koninkrijk der hemelen. En ‘en passant’ zien we dan tekenen en wonderen gebeuren. Die horen erbij, maar ze staan niet centraal en zijn derhalve niet het hoogtepunt. In tegenstelling met de samenkomsten die hier en daar gehouden worden, waar alles en alles gericht is op de bedieningen die moeten volgen. Het schiftingsproces zet zich door. De zonen Gods zullen de toetssteen van de Schriften kunnen doorstaan. Zij zullen onberispelijk gevonden worden voor het aangezicht van de Vader, halleluja. Wanneer ze aangetast worden door ziekte of onder pressie van de demonen staan, dan weten ze de weg ter overwinning. Blijft de overwinning een tijdje uit, dan is er geen paniek, want ze zijn gericht op de Heer Jezus Zelf, ze bezitten Hemzelf. Het geheime wapen van Habakuk hebben ze in bezit:
‘Al zal de vijgenboom niet bloeien, al zal de wijnstok niets voortbrengen, al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen, al zal er geen koren op de akkers staan, al zal er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining – toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt. God, de HEER, is mijn kracht, hij maakt mijn voeten snel als hinden, hij laat mij over mijn bergen gaan.’ (Hab. 3:17-19)