Het juk van Jezus

 

‘Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’  (Mattheüs 11:29,30)

Bekende Bijbelverzen roepen vaak associaties op. Onwillekeurig plaatst men ze dan ook in de omstandigheden waarin ze gewoonlijk geciteerd worden. Ook met bovenstaand vers is dit het geval. Het roept onmiddellijk associaties op met de uitnodiging tot Jezus te komen; bij Hem immers mogen we het juk van zonde, zorgen en ziekten afleggen. Doen we hiermee echter recht aan deze uitnodiging van de Heer? Richtte Hij zich werkelijk tot hen die onder de last van de zonde bezwijken? Of had hij een andere categorie mensen op het oog? Onderstaand artikel tracht op deze vragen een antwoord te geven door Jezus’ nodiging te plaatsen in het perspectief van zijn tijd. Het bekende Bijbelvers blijkt daarbij ook voor onze dagen aan actualiteit en inhoud te winnen.

 Verstandigen en eenvoudige mensen

Leest men Jezus’ woorden in hun verband, dan blijken zij een vervolg te vormen op een gebed. Een openlijke verzuchting eigenlijk, publiekelijk tot zijn Vader opgezonden: ‘In die tijd zei Jezus ook:

‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld.’ Matth. 11:25).

Wie zijn deze ‘wijzen en verstandigen’? Wie deze ‘eenvoudige mensen’ aan wie Gods heilsgeheimen geopenbaard worden? Het ligt voor de hand dat Jezus met de eerste categorie de Schriftgeleerden en Farizeeën van zijn tijd bedoelt. Zij zijn het immers die zich als wijzen beschouwen, als ingeleiden in de wet van God. Met  ‘eenvoudige mensen’ doelt de Heer ongetwijfeld op het gewone volk, de massa’s die Hem graag hoorden. Het zijn de niet-ingewijden van wie de Farizeeën verachtelijk plachten te zeggen:

‘Maar de schare die de wet niet kent, vervloekt zijn zij.’

Deze onwetenden nu worden uitverkoren verklaard om inzicht te ontvangen in de dingen van God. Het is dan ook tot déze mensen dat Jezus zijn uitnodiging richt om tot Hém te komen, van Hém te leren en Zijn juk op zich te nemen.

 Het juk van de Farizeeën

Is er in dit gedeelte sprake van twee groepen mensen, er is ook sprake – hoewel niet uitdrukkelijk genoemd – van tweeërlei juk. Nodigt Jezus hen die vermoeid en belast zijn tot zich te komen, en Zijn juk op zich te nemen, dan is dat omdat zij blijkbaar onder een ánder juk gebukt gaan: dat van de Farizeeën. Jezus zegt later van deze geestelijke leiders:

‘Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders van de mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren’ (Matth. 23:4).

Ziedaar de reden waarom Jezus’ toehoorders ‘vermoeid en belast’ zijn: Zij bezwijken onder het juk dat de Farizeeën hen oplegden, het juk van hun ‘leringen van mensen’, hun bindende voorschriften, hun dwangmaatregelen, hun aansporing tot werkheilig-heid. Het juk van de Farizeeën is het juk van vrome geesten, die het natuurlijke leven van de mens minachten en hem tot allerlei vrome religieuze inspanning aansporen. Een inspanning die weliswaar, zoals Paulus het uitdrukt, in een ‘roep van wijsheid staat’, maar uiteindelijk slechts dient tot ‘bevrediging van het (vrome) vlees’! Het zijn dan ook deze demonen van satan, waartegen Jezus zich te weer stelt:

‘Wee u schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars, want jullie trekken zee en land rond om één bekeerling te maken en wanneer hij het wordt maken jullie van hem een kind van de hel, tweemaal zo erg als jullie zelf zijn’ (Matth. 23:15).

De werkheiligheid en harde rechtlijnigheid van de Farizeeën komt niet zomaar uit menselijke geloofsijver voort, maar zij zijn regelrecht geïnspireerd door het rijk van de duisternis.

 De geestelijke achtergronden

Het is niet verwonderlijk dat Jezus’ oordeel op dit punt zo onverbloemd is. Immers, het is op dit vlak dat door de eeuwen heen de strijd van zijn Gemeente gelegen heeft. Het grote gevaar voor Gods kinderen komt niet van buiten – in de vorm van vervolging – op hen af, maar vanbinnenuit: in de vorm van uiterlijke vroomheid en religiositeit, die haar beslag op de Gemeente van Jezus Christus tracht te leggen. De grote dreiging wordt gevormd door mensen die weliswaar komen ‘met een schijn van godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochend hebben’. Paulus waarschuwt in dit verband:

‘De Geest zegt nadrukkelijk dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof doordat zij dwaalgeesten en leringen van demonen volgen’ (1 Tim. 4:1).

De apostel wijst hierbij niet op allerlei excentrieke religieuze bewegingen die in feite weinig met het christendom hebben uit te staan, maar op de verwording van binnenuit. Het zijn immers afgevallen gelóvigen die zich door dwaalgeesten en leringen van boze geesten laten leiden.

De strijd van Gods volk ligt dan ook in eerste instantie op dit vlak: het is de strijd tegen de vrome demonen die het ware geestelijke leven trachten te verstikken door Gods kinderen lasten op te leggen waar zij onder bezwijken en hen af te leiden van de ware leer van Jezus Christus. Die strijd is er vanaf het prilste begin van de Christenheid al geweest. Ze vormde de aanleiding van het eerste apostelconvent in Jeruzalem! ‘Er stonden uit de partij van de Farizeeën enigen op die gelovig geworden waren en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden’ (Hand. 15:5). Dankzij het kordate optreden van Petrus werd deze eerste aanval van de vrome geesten afgeslagen: ‘Wat stellen jullie God op de proef door een juk op de hals van de leerlingen te leggen dat noch onze vaderen noch wij hebben kunnen, dragen’, stelt hij (Hand. 15:10). Ziedaar het juk van de vaderen, het juk waarmee de Farizeeën en het gewone volk vermoeiden en belastten, het juk dat nu ook de gemeente moest worden opgelegd: vrome wetsbetrachting, inspanning van goede werken, uitwendige godsdienst en vormendienst.

 Vrome geesten

Werden op die eerste kerkvergadering in Jeruzalem de vrome geesten teruggeslagen, de strijd is er niet minder om geworden. Dankzij die strijd is een groot deel van het Nieuwe Testament aan de aard en de tactiek van de vrome geesten gewijd. Vrome geesten hebben een uitgesproken minachting vooral het goede dat God in de schepping heeft neergelegd. Paulus noemt in verband met de ‘leringen van boze geesten’ die in de laatste tijden de gemeente zullen overrompelen, het verbod om bepaalde spijzen te eten en de aanprijzing van het celibaat. Vrome geesten zijn dan ook ascetisch, ze trachten op allerlei manieren het natuurlijke leven te ontwrichten en te kleineren (1 Tim. 4:3). Vrome geesten zijn spiritueel, uiteraard op hun (vrome) wijze. Paulus spreekt in dit verband over de mens die zich gewild op zijn nederigheid laat voorstaan, op zijn bijzondere openbaringen (als ingewijde in wat hij heeft gezien’ (Col. 2:18). Het is de grote man Gods die zich met zijn uitgesproken mening en bijzondere inzichten tussen God en de gelovige plaatst. Vrome geesten zijn fervente voorstanders van een uitwendige godsdienst, van zichtbare ceremoniën. De Heer zélf stelt hun slachtoffers aan de kaak:

‘Ik weet…de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn, doch het niet zijn, maar een synagoge van de satan.’ (Op. 2:9).  

 Leer van Hém

Wanneer Jezus nu zijn toehoorders uitnodigt tot Hém te komen is het om het juk van de vijand dat hen vermoeid en belast maakte van zich af te schudden. Jezus roept hen op de ‘leringen van boze geesten’ af te zweren, niet langer aan de pressie van vrome geesten toe te geven en naar Hém te luisteren, zíjn leer te aanvaarden, zich onder zijn juk te plaatsen. Vandaar dat het heet: ‘Leert van Mij….’ Jezus komt, om wie zich tot Hem wendt vrij te maken van het juk dat hem door vrome geesten is opgelegd. Vandaar dat ook Paulus schrijven kan: ‘Opdat wij werkelijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen’. (Gal. 5:1)

Jezus preciseert in dit verband waaraan zijn onderwijs, in tegenstelling met dat der boze geesten aan te herkennen zal zijn:

‘Leert van Mij… want ik ben zachtmoedig en nederig van hart’.

Jezus’ onderwijs heeft niets te doen met het pressen en dwingen van vrome geesten. Zijn roep tot het dienen van God is niet hard en gebiedend, Hij nódigt slechts: ‘Wie wil, die komt….’ Jezus dreigt niet, Hij jaagt zijn volgelingen niet op maar gunt hen tijd zich harmonisch te ontwikkelen en zich innerlijk te herstellen van geestelijke verkreupelingen: ‘Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven’ (Matth. 12:19).

Jezus’ juk is zacht, zijn last is licht. Willen we ons daar nu onder stellen, zijn stem volgen; ons van de vrome geesten die constant ons gedachteleven trachten te infiltreren afwenden en Hem gehoorzamen? Zijn we bereid afstand te nemen van de vrome verbreking met het natuurlijke leven en zelfkastijding, van de hang naar uiterlijkheden in ons geloofsleven, van kille, harde godsdienstige rechtlijnigheid. Alle kramp, alle opgejaagdheid en gespannenheid, het gevoel van ontoereikendheid, het zal dan allemaal uit ons geloofsleven verdwijnen. Jezus belooft immers aan hen die zijn juk op zich nemen: ‘en u zult rust vinden voor u ziel….’ Laten we aan zijn uitnodiging gehoor geven!